Saturday, 27 December 2008

Vredehandhaving in DR-Congo: Neo-Imperiale ondertoon?

Sinds zijn oprichting eind 1999 is de VN operatie in de Democratische Republiek Congo, bekend onder zijn Franstalige afkorting MONUC, uitgegroeid tot de grootste in zijn soort. Na de 2de Congolese oorlog – met acht betrokken landen ook wel de Afrikaanse wereldoorlog genoemd - besloot de internationale gemeenschap het ‘hart van Afrika’ te stabiliseren, democratiseren en pacificeren. Of de doelstellingen van dit grootschalige state-building project werden verwezenlijkt staat hier niet centraal. Ook zal in deze korte uiteenzetting niet ingegaan worden op de historische wortels, de politieke gebeurtenissen, het ‘etnische’ element van het conflict; deze duizelingwekkende complexiteit wordt grotendeels achterwege gelaten. Wat mij hier interesseert is waar de Congolese VN vredesmissie, geïnterpreteerd als een langgerokken humanitaire interventie, gepositioneerd kan worden op het spanningsveld tussen ‘het humanitaire’ en ‘het eigenbelang’ van de ingreep.

Twee tegenovergestelde visies bieden zich aan. Enerzijds de MONUC als puur humanitaire missie zoals vastgelegd in de doelstellingen en statuten. Anderzijds de MONUC als een ‘marktstabiliserende factor’, met als doel de buitenlandse zakenbelangen, de grondstoffenexport, te bestendigen. De eerste stelling spreekt voor zich, het is vooral deze laatste interpretatie van peacekeeping als uitwaaier van westerse wereldhegemonie, die hier besproken wordt. Zijn de 17.000 blauwhelmen op een humanitiare of een neokoloniale missie?

Het wereldwijd economisch belang van Congo als leverancier van goud, uranium, tin, kobalt en andere kostbare grondstoffen is onmiskenbaar. Het lopende en vorige conflicten in het land worden door westerse waarnemers teruggebracht tot ofwel langlopende etnische twisten, of grondstoffenoorlogen. Aanhangers van de ‘grondstoffen-analyse’ beschuldigen aanhangers van de ‘etnische-analyse’ ervan de actieve rol van buitenlandse, zie westerse, bedrijven en landen te verbergen. Zonder diep in te gaan op de conflictanalyse, moet gezegd worden dat beidde factoren meespelen en elkaar niet uitsluiten. Het is de meest ‘radicale’ versie van de Congolese instabiliteit als gevolg van ‘immorele’ buitenlandse zakeninteresses die ik hier kort behandel, omdat deze de basis vormt voor de deconstructie van het westers humanitair project in het land.

De explosieve stijging in de vraag naar kasseriet en kobalt, ertsen verwerkt in GSM’s, draadloze apparatuur en computerchips, wordt steeds vaker naar voren geschoven als de bron van het nieuwe geweld in Oost-Congo.



zie ook: http://www.youtube.com/watch?v=O1FQmUQ1-mM

Nu al wordt gesproken van ‘blood cell phones’ en de ‘Cell Phone wars’(1). De multinationale geldschieters van de gewapende strijd worden buiten het pacificeringsproces gehouden. Op die manier doet de internationale gemeenschap zijn humanitaire rol in feite teniet, en neemt een zeer ambigue houding aan. Deze vaststelling sluit aan bij verdere ‘Bricmontiaanse’/ ‘Chomskiaanse’ redeneringen, waarin een soort westers georchestreerde, geweldinducerende, grondstoffenroof centraal staat. Vanuit dit perspectief maken de humanitaire inspanningen in Congo deel uit van het imperiaal/neoliberaal project, met westerse handelsbelangen als belangrijkste drijfveer. Door zijn zwakke staatsstructuur en afhankelijkheid van hulp is het land bovendien een makkelijk doelwit geweest van externe inmenging. Traditioneel zijn er drie landen met gevestigde interesses in het land; België, Frankrijk en de VSA. Deze troika heeft het politieke leven van het land bepaalt sinds de onafhankelijkheid. De MONUC troepenmacht is de meest recente en tastbare manifestatie van deze machtsrelatie.

Volgens deze denkwijze is er geen verschil tussen de commerciële belangen van de internationale bedrijven in Congo, de nationale belangen van de verscheidene donorlanden, en de plannen die in de Veiligheidsraad tot stand komen. Deze laatste dient dan om een ‘humanitair’ élan te geven aan het neokoloniaal project. Als we doorheen deze dekmantel kijken zien we de MONUC in zijn echte gedaante; een machtsinstrument met als hoofddoel de fysieke bescherming van enkel buitenlands personeel en materiaal, en het verzekeren dat te veel geweld niet de grondstoffenexport doet stilvallen. Het beperkte mandaat is het bewijs dat het hier niet gaat om de bescherming van een noodlijdende burgerbevolking, maar dat de troepenmacht een soort vangnet is om gewelduitbarstingen tegen westerse doelwitten te voorkomen. Erger nog, de blauwhelmen waren betrokken in wapenhandel en prostitutieschandalen, maar genieten een zekere straffeloosheid. Ze gedragen zich, met andere woorden, als “thuggish enforcers for imperial powers”.(2)

Hoe geloofwaardig is bovenstaande interpretatie van UN peacekeeping als dekmantel voor neokoloniale beleidspraktijken? Zijn blauwhelmen de stoottroepen van een nieuwe imperiale wereldorde? Verscheidene aspecten kloppen; er zijn buitenlandse economische interesses die meespelen, de soevereiniteit van een Afrikaanse land wordt zelden gerespecteerd, de blauwhelmen zijn inefficiënt in het beschermen van de burgerbevolking en hun pacificerende rol is twijfelachtig... Maar is de MONUC, ondanks de enorme problemen en schandalen in de praktijk, een non-humanitaire missie? Was de internationale wil om Congo te stabiliseren een kwestie van Impérialisme Humanitaire?

Zelfs de meest doorwinterde scepticus zal moeten toegeven dat er een relatief apolitieke ‘humanitarian goodwill’ bestond vanuit de internationale gemeenschap in het opzetten en financieren van de mastodont missie in DR Congo. Dit wil niet zeggen dat er geen commerciële en geostrategische belangen op het spel staan, of dat men er daadwerkelijk is in geslaagd een democratische staat van Congo te maken. Zoals eerder gesteld gaat het hier niet om de verwezenlijkingen of fouten van de VN-missie, maar op de manier hoe die op verschillende manieren geframed kan worden. In bovenstaande uiteenzetting werd de imperiale logica van VN vredehandhaving gradueel uitvergroot om aan te tonen hoe ook in dit soort discours de realiteitszin soms verwaterd. Het inzicht dat er meer achter humanitair beleid schuilt dan te lezen valt in officiële verklaringen is waardevol, maar ook hierin moet men genuanceerd zijn. Er is steeds een kruisbestuiving van nationale belangen en humanitaire intenties nodig vooraleer iets ondernomen wordt vanuit de VN. Botweg stellen dat de hebzucht van een westers militair-industrieel complex aan de fundering ligt van de MONUC, en elk ander VN initiatief, is weinig overtuigend.

Een 'bewijs' van de humanitaire aard van de missie kan gezien worden in het nieuwe mandaat dat vandaag werd goedgekeurd door de Veiligheidsraad (3). Blauwhelmen zullen nu ook kunnen optreden tegen het regeringsleger en regeringsgezinde milities, om zo een actievere rol te spelen in de bescherming van de bevolking. Tegelijkertijd blijft de westerse inspanning dubbelzinnig, een importverbod op ertsen uit conflictgebieden zou inderdaad grotere gevolgen hebben dan meer vredestroepen sturen.

referenties:
1. Robin Browne ‘Blood cell phones’ worsen crisis in the Congo’ Alternatives, 19 Juli 2008 (http://www.alternatives.ca/article3968.html geraadpleegd 22/12/2008)
2. Stephen Lendman ‘UN Peacekeeping Paramilitarism: The Rules of Imperial Management’ Counterpunch, 15 februari 2007 (http://www.counterpunch.org/lendman02152007.html, geraadpleegd op 23/12/2008)
3. BBC news ‘New Mandate for DR Congo UN Force’ (http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/7796430.stm geraadpleegd op 23/12/2008)

Thursday, 25 December 2008

Een terugkeer naar het internationale recht zonder gevaar voor imperialisme?

Eén van de sterkere argumenten (1) die Jean Bricmont aanhaalt tegen humanitaire interventies is de verdediging van het internationale recht (2). Een basisprincipe daarin bestaat uit het feit dat het elk land verboden is om troepen te sturen naar een ander land zonder de toestemming van de regering van dat land, het non-interventieprincipe dus. Dit is om te voorkomen dat één absolute soeverein (de VS) met geweld de vrede zou opleggen. Enkel door respect voor het internationale recht kan dus een wettige democratische (internationale) orde bereikt worden met de hulp van de VN.
Jean Cohen grijpt in haar artikel “Sovereign Equality vs Imperial Right: The Battle over the “New World Order”” naar hetzelfde uitgangspunt (3). Zij ontwaart een toenemende uitholling van het internationaal-rechtelijke principe van “soevereine gelijkheid” van staten en dit door de groeiende invloed van het “kosmopolitisch liberalisme”. Volgens haar bestaat er wereldwijd een strijd om de internationale orde tussen “soevereinisten” en “kosmopolieten”. Deze laatsten zouden een fundamentele herziening van het internationale recht (en politiek) ambiëren. Zij beogen een uitbreiding en individualisering van het internationale strafrecht te bewerkstelligen en zijn tevens voorstanders van humanitaire en democratische interventies. Deze groep zou een biopolitieke kijk op de wereldorde bezitten waarbij een mensenrechten-benadering het “staatscentrisme” en het principe van “soevereine gelijkheid” wegschuift en vervangt door een rechtstreekse focus op het individu als hét subject van kosmopolitisch recht en rechtvaardigheid.
Deze poging tot het construeren van een “nieuwe wereldorde” zou volgens Cohen een gevaarlijke onderneming zijn. Het principe van “soevereine gelijkheid” zoals aangenomen in het internationale recht zou hierin volledig ondermijnd worden en leiden tot een intolerante en interventionistische versie van liberaal anti-pluralisme. Deze poging leidt tevens tot het herintroduceren van hiërarchie in het internationale systeem. Zo komen we bij Cohen’s kernargument tegen de “nieuwe kosmopolitisch-liberale wereldorde”: m.n. het uithollen van het principe van “soevereine gelijkheid” maakt die wereldorde medeplichtig aan imperiale projecten van machtige staten die geïnteresseerd zijn in het verzwakken van de principes die het gebruik van geweld belemmeren en die hen geen dekmantel noch politieke legitimiteit aanreiken indien ze het internationale recht zouden schenden.
Dit “kosmopolitisch liberalisme” benadrukt immers het respect voor de “fundamentele mensenrechten” van personen en vormt dit tot het enige criterium om staten als “legitiem” en “soeverein” te bestempelen. Rechtvaardigheid t.a.v. personen wordt dus de externe morele standaard voor legitimiteit. Willen staten aanzien worden als “autonoom” en “soeverein” en genieten van het “non-interventieprincipe”, dan moeten ze tegemoetkomen aan die externe morele standaard.
De VN wordt door die groep afgedaan als een “statische” organisatie waarvan de legitimiteit in vraag moet gesteld worden. Hierin staan ze op één lijn met ’s werelds enig overgebleven grootmacht, de VS, die tevens gebruik maken van het kosmopolitische discours in hun pogingen om internationale institutionele hervormingen te marginaliseren en het internationale recht te ondermijnen. Wat we meemaken is dus niet louter een poging vanwege een grootmacht om het internationale recht weg te vegen maar om dat recht te heroriënteren in een imperiale richting. Het principe van “soevereine gelijkheid” wordt ondermijnd door gebruik te maken van een moreel humanitair discours ten einde landen unilateraal te kunnen bestempelen als “rogue states” om hen zo onder de hoede van het internationale recht weg te halen. Dit zou, aldus Cohen, een project zijn om een hedendaagse versie van imperiaal recht te creëren. Eén van de strategieën is het herintroduceren van hiërarchie in het internationale systeem doorheen het plakken van labels als “rogue”, “terrorist” en “axis of evil” waardoor een staat zijn soevereiniteit wordt ontnomen. Deze staten worden de nieuwe periferie van het imperiale recht en de potentiële doelwitten van “preventive self-defense” of “humanitaire interventies”. Daarbij moet gezegd worden dat een machtige hegemoon met imperiale ambities niet per se unilateraal hoeft op te treden. Deze kan ook de Veiligheidsraad instrumentaliseren waardoor de imperiale macht in legitimiteit kan baden terwijl het internationale rechtssysteem op subtiele wijze wordt getransformeerd.

In tegenstelling tot Bricmont opteert Cohen echter niet voor een ultieme terugkeer naar het non-interventieprincipe waarbij de verdediging van de mensenrechten op internationaal vlak uit de boot valt. Zij biedt eerder een alternatieve benadering aan die opteert voor de noodzaak aan institutionele en legale hervormingen, waarin zowel staatssoevereiniteit als mensenrechten naast elkaar kunnen bestaan. Dit noemt ze het “dualistisch model”. Het non-interventieprincipe blijft centraal staan maar in geval van ernstige mensenrechtenschendingen kan daar een uitzondering op gelden. De VN staat hierin als internationaal legitiem orgaan centraal. Sinds 1945 bestaat er immers binnen het VN-Handvest een institutionalisering van beide principes. De interrelatie tussen de principes van “soevereiniteit” en “kosmopolitische mensenrechten”dient volgens de auteur wel van tijd tot tijd aangepast te worden. Dit om de spanning tussen beide principes binnen dit dualistische model tegen te gaan. Zo kan er volgens Cohen een “dualistische wereldorde” ontstaan als alternatief voor een imperiale wereldorde. Hierin zijn “humanitaire interventies” enkel toegestaan onder de hoede van de Veiligheidsraad en moeten alle conflicten geanalyseerd worden in hun unieke context.

Dit dualistisch model van Cohen roept een aantal vragen op. Het is duidelijk dat de auteur de problematiek vanuit een internationaal-rechtelijke invalshoek bestudeert. Het probleem hierbij is dat ze, hoewel ze aanvankelijk zeer concreet het gevaar van empire-building detecteert, de neiging heeft te vervallen in juridisch idealisme waarbij ze de huidige internationale krachtsverhoudingen uit het oog verliest. De terugkeer naar de grondbepalingen van het VN-Charter waarin “humanitaire interventies” gelden als een uitzondering op het algemene principe van non-interventie is een wens waar velen achter staan. De vraag is echter “hoe?”. Hoe gaat men dit kunnen opleggen gezien de aanwezigheid van een grootmacht met duidelijk imperiale neigingen. Hebben de VS niet scrupuleloos de VN omzeild in 2003? Het feit dat ze nu wat bedaard zijn betekent geen garantie dat ze hun imperiale jacht rond de wereld niet opnieuw zullen hervatten. Dan is er nog de kwestie van een institutionele hervorming van de VN. Hier geldt wederom de vraag hoe men deze kan bewerkstelligen? De VS hebben immers alle macht om die hervormingen te blokkeren. Kunnen we uiteindelijk niet anders dan gewoon Bricmont's pessimistische (niettemin realistische) visie aannemen?
Referenties:
(1) Het gaat hier niet om een beoordeling van mijnentwege. Bricmont beschouwt dit zelf als een sterk argument.
(2) BRICMONT, J. (2008). Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog. Berchem: EPO.
(3) COHEN, J. L. (2006). Sovereign Equality vs. Imperial Right: The Battle over the "New World Order". Constellations Volume, 13 (4), 485-502

De bom onder Pieter De Crem

In tijden van een regeringloos België, lijkt het mij een uitgelezen moment om een artikel te becommentariëren dat het Belgische standpunt ten aanzien van interventionisme beschrijft. Meer specifiek komt dit artikel uit ‘Knack’ van 10 december 2008 en gaat het om een interview met aftredend Minister van Landsverdediging Pieter De Crem (1).

De acties die De Crem tijdens zijn mandaat als minister van Landsverdediging verrichten, werden in de media niet steeds in een positief daglicht gesteld. Denkt u maar aan zijn vele woordenwisselingen met zijn voorganger Flahaut, zijn afslankingsplannen voor het Belgische leger en zijn recente optreden in een New Yorks café. In dit artikel peilt Knack voornamelijk naar het standpunt van De Crem over de deelname van de Belgische troepen aan interventies onder de vlag van de NAVO of VN. Het is algemeen geweten dat De Crem niet terugschrikt van een deelname aan een militaire tussenkomst. Met deze houding stoot De Crem niet enkel op politieke weerstand (zoals van Louis Michel die stelt dat militaire aanwezigheid in Congo geen vrede kan afdwingen aangezien er te veel strijdende partijen bij het conflict betrokken zijn) maar ook op weerstand van de publieke opinie die vaak gekant is tegen militaire operaties in het buitenland. Bovendien kampt ook de defensietop van België met een gebrek aan mankrachten in het Belgische leger. Wanneer De Crem dus spreekt over het deelnemen aan een interventie, kan dit dus enkel met een beperkt aantal troepen. Het sturen van militaire middelen (zoals F-16’s), hulp bij het inzamelen en verwerken van informatie en het opleiden van lokale soldaten nemen een groter deel van deze deelname voor hun rekening. Opnieuw kan in dit kader de stelling van Bricmont (2) aangehaald worden, die stelt dat het Westen voornamelijk intervenieert door gebieden te bombarderen aangezien het sturen van landtroepen niet binnen hun bereik ligt.
Momenteel zijn er Belgische troepen gestationeerd in vijf gebieden: Afghanistan, Libanon, Tsjaad, Kosovo en de Kust van de Hoorn van Afrika. Het meest actuele interventiedebat in België betreft overduidelijk de kwestie Congo. Zo stelt De Crem in dit artikel dat België dient deel te nemen aan een militaire interventie in het gebied rondom Goma aangezien zich daar een crisissituatie voordoet die de rechten van de bewoners beperkt. In dit artikel wordt desbetreffend gewezen op het gebrek aan drinkbaar water, onderwijstekort en afgesloten communicatie en transportwegen. De Crem wil met andere woorden deelnemen aan een interventie met humanitaire beweegredenen, de mensenrechten in de regio’s verzekeren.
Maar is dit ook effectief zo? Wil België door zijn militaire interventie in het buitenland, en zeker in zijn ex-kolonie Congo, niet haar economische en diplomatieke belangen in deze staten verzekeren? Of ligt de oorzaak van deze reactie van interveniëren zoals Bricmont stelt, in het zwakke standpunt van ideologisch links dat interventionisme als offensief tegen de rechtse beweging na de val van het communisme ziet?


Er kan algemeen gesteld worden dat het doel van een humanitaire militaire interventie het stoppen van geweld en het creëren van ruimte voor een politieke oplossing is. Maar leidt een militaire tussenkomst inderdaad steeds tot het bereiken van vrede? Vredesacties, een NGO die gekant is tegen het Belgische militaire interventionisme, stelt dat bij een militair ingrijpen het belang van gewapende groepen in een conflict toeneemt (3). Door een militaire interventie wordt België een partij in het conflict wat misschien wel leidt tot een militaire overwinning maar vaak ook tot polarisering van het conflict. Van enig vredesproces is hierdoor vaak geen sprake. Bovendien wijst Vredesacties ook op het belang van toestemming van alle partijen in een conflict, een element waar ook Jean Bricmont veel belang aan hecht, maar waar in het huidige interventionisme van België steeds minder rekening gehouden wordt. Tjaad en Afghanistan vormen volgens Vredesacties een duidelijke illustratie van zowel het negeren van toestemming als van polarisering van het conflict. De NGO stelt daarom dat wanneer men echt iets aan humanitaire noodsituaties wil doen, er resoluut gekozen zal moeten worden voor een fundamenteel ander veiligheidsbeleid.


Naar mijn mening levert de argumentatie van de NGO Vredesacties een belangrijke bijdrage aan de discussie op deze blog. Ik sluit me aan bij haar standpunt dat een staat, in dit geval België, te vaak vergeet dat zelfs wanneer zij spreekt van ‘humanitaire interventie’, ze in sommige gevallen meer kwaad doet dan goed, een standpunt dat ook Bricmont inneemt. Maar net zoals de titel van het interview met De Crem letterlijk stelt ‘Moeten we de mensen daar laten stikken?’ is niet interveniëren ook geen oplossing. Is een ander veiligheidsbeleid dan wel een stap vooruit? Waarschijnlijk wel, maar een antwoord op de vraag hoe dit nieuwe veiligheidsbeleid dan ingevuld dient te worden, kan ook Vredesacties niet formuleren. Mijns inziens zou diplomatiek overleg hierin een prominente rol moeten spelen, net zoals instemming van de betrokken partijen en de invulling de humanitaire factor in een interventie. Zoals ik reeds in mijn vorig artikel stelde moeten organisaties en staten alvorens te interveniëren zich bezinnen over de reeds aangerichte schade door het heersende conflict en de waarschijnlijke aangerichte schade wanneer ze intervenieert, en met dit in het achterhoofd elementen van hun defensiebeleid vernieuwen of aanvullen.


Referenties

(1) Martens P., Renard H. (2008), Moeten we de mensen daar laten stikken?, Knack, 38 (50), 22-26.
(2) Bricmont, J.(2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.
(3) Vredesacties (2008), Afghanistan of Tjaad¸’Humanitair imperialisme faalt’, MO*.

Wednesday, 24 December 2008

Het Risico van een Humanitaire Norm voor Internationale Interventie

Bespreking 'The Moral Hazard of Humanitarian Intervention: Lessons from the Balkans' Alan J. Kuperman in International Studies Quarterly nr.52, 2008, pp. 49–80.


De meest gangbare kritiek op het concept van ‘humanitaire interventie’ is de apologetische rol die de mensenrechtendoctrine speelt in de brutale machtspolitiek van het Witte Huis, en bij uitbreiding het ‘hegemonische Westen’. Indien we deze problematiek buiten beschouwing laten, en ervan uitgaan dat er zoiets bestaat als een ‘oprechtte’ en ‘gegronde’ humanitaire interventie, dan nog creëert deze hypothetische rechtvaardige wereldorde enkele acute problemen.

Kuperman beschrijft in dit artikel hoe een ‘moreel risico’ ontstaat door het verschuiven van de normen voor interventie. Dit risico komt neer op het bewust uitlokken van genocidale represailles en massaslachtingen door rebellenbewegingen, die daardoor kunnen rekenen op externe steun en profiteren van een mogelijke humanitaire interventie. Omdat de internationale gemeenschap de ‘Responsibility to Protect’ (R2P) op zich neemt – hoewel vandaag niet meer dan een voornemen - zal dit volgens Kuperman het ontstaan van conflicten stimuleren. Hij ontwaart een dynamiek waarbij afscheidingsbewegingen via gewelddadige aanvallen op bestaande staatsstructuren bewust grootschalige slachtingen van een onschuldige bevolking provoceren. Pas na het hoogtepunt van dit interstatelijke geweld komt er externe inmenging, in het voordeel van de opstandelingen die de dynamiek van geweld in werking stelden. Dit schept dan weer een precedent voor andere opstandige elementen om over te gaan tot gewelddadige actie.

Bovendien, zo stelt Kuperman, is de dreiging uitgaande van internationaal ingrijpen niet adequaat gebleken om repressieve en genocidale acties van overheden te voorkomen. Om zijn these kracht bij te zetten, en duidelijk te maken dat de ‘moral hazard’ geen hypothetisch gevaar is, worden twee historische voorbeelden aangereikt: de Bosnische secessie van Joegoslavië vanaf 1992, en de gewapend onafhankelijkheidsstrijd in Kosovo vanaf 1998. In beidde gevallen rekenden de rebellen op een optreden van de internationale gemeenschap om hun te helpen in hun strijd. In het geval van de Bosnische afscheiding hadden de rebellen zich misrekend in die zin dat, alhoewel de VS en de EU de afscheiding steunden, ze waarschijnlijk directe militaire steun hadden verwacht. Daardoor verwierpen ze de lopende onderhandelingen en provoceerden, slecht voorbereid en slecht bewapend, een oorlog met Joegoslavië. Na bijna vier jaar bloedige strijd wordt via bemiddeling van de VS en de EU een vredesakkoord bereikt met voorwaarden voor een onafhankelijk Bosnië die gelijkaardig waren aan de oorspronkelijke onderhandelingen.

In 1998 ontketend het Kosovo Liberation Army (KLA) een gewapende onafhankelijkheidsstrijd. Ook hierop volgen, zoals verwacht, represailles vanuit Belgrado. Maar anders dan bij de Bosnische strijd werd nu wel ingegrepen door de het westen, gestuwd door de Clinton administratie. Op een moment de het Joegoslavische leger de rebellen van het KLA zo goed als overwonnen had, gaf de ‘humanitaire’ interventie van de NATO een nieuwe gewelddadige wending aan het conflict. De NATO ontpopte zich in het conflict als de ‘Royal Air Force of the KLA’ hoewel dit officieel ontkent werd. Kuperman argumenteert dat het conflict snel en met weinig burgerslachtoffers had kunnen aflopen, maar dat door het NATO ingrijpen het geweld snel escaleerde. De humanitaire ingreep had als gevolg een enorme toename van het aantal onschuldige doden, de overwinning van de extremistische KLA, en recent de onafhankelijkheid van Kosovo.

Kuperman presenteert hier een interessante these, en onderbouwt hem met enkele concrete voorbeelden. Toch kunnen we ons afvragen in welke mate de les die hij trekt uit de versplintering van Joegoslavië toepasbaar is op andere conflicten. De zogenaamde ‘morele standaard’ is vandaag dermate zwak dat weinig rebellenleiders volgens deze logica zouden inspelen op de internationale gemeenschap. Het actief uitlokken van genocidale repressies om zo externe interventies te provoceren is niettemin een plausibele perversie van het R2P principe. Indien er een toekomst is voor de mensenrechtendoctrine dan is neutraliteit hierin cruciaal. Eerder werd al uitvoerig aangetoond dat de humanitaire(altruïstische) intentie van een interventie meestal ondergeschikt is aan (geo-)politieke motieven. Maar indien de aanleiding van een noodsituatie wortelt in het bewust creëren van slachtoffergroepen vanuit politieke hoek, dan lijkt een neutraal ingrijpen onbegonnen werk.

Wat de notie van ‘Moral Hazard’ duidelijk maakt is de nood aan een uitgebreide expertise van de conflictsituatie, een begrip van de bestaande politieke/sociale/etnische/religieuze situatie vooraleer hierin wordt ingegrepen. In bijna alle interventies die we de laatste decennia zagen plaatsvinden was dergelijke kennis en inzicht onbestaande. Weer kan Irak hier als het meest extreme voorbeeld gelden; zonder enige voorkennis ,of zelfs nog maar een idee over wat na de militaire fase moest gebeuren, werd hier op uitzonderlijk klungelige manier een staat ontmanteld en ‘heropgebouwd’. In tegenstelling tot dit soort blinde en eenzijdige interventies zou de internationale gemeenschap moeten ijveren voor een ‘contextgevoelig’ ingrijpen. Dit soort aanpak, waarbij respect voor bestaande maatschappelijke structuren en adequate communicatie met, en inspraak van, de bevolking centraal staat, zou het tegengestelde moeten zijn van het zogenaamde Impérialisme Humanitaire.

Een laatste bedenking bij Kupermans ‘Moral Hazard’ these is dat deze recht tegenover Bricmonts uitgangspunt van ‘the Great Western Delusion’ staat. Die laatste argumenteert dat er nergens vraag is naar westerse interventie, terwijl Kuperman zo ver gaat te stellen dat er gerekend en ingespeeld wordt op het vooruitzicht van externe inmenging. Hoe de bevolking binnen een conflictzone zich positioneert tegenover buitenlands ingrijpen is uiteraard zeer uiteenlopend. Er rusten wel degelijk verwachtingen op de internationale gemeenschap, deze kunnen niet zomaar afgedaan worden als een zelfbevredigende westerse illusie. Maar of minderheidsgroepen massaal suïcidale opstanden zullen uitvoeren om zo humanitaire steun te verkrijgen, is twijfelachtig. Hoe dan ook blijft het een uiterst delicaat vraagstuk naar waar en wanneer een militaire humanitaire interventie geoorloofd zou zijn. Een multilaterale, contextgevoelige en ‘gevraagde’ interventie zou het unilaterale, ‘imperiale’ interventionisme moeten vervangen. Ook dit soort internationaal ingrijpen zal nooit volledig politiek neutraal kunnen zijn, maar moeten we hierin niet pragmatisch zijn wanneer geweld escaleert en massamoord in het vooruitzicht ligt?

Sunday, 21 December 2008

Soevereine onschendbaarheid als oplossing voor hedendaags humanitair imperialisme?

Bespreking James Traub ‘A fight to protect’ in Foreign Policy, November/December 2008, pp.80-82.

De laatste jaren werd de humanitaire retoriek zodanig ver gerokken, dat de discrepantie tussen discours en realiteit pijnlijk zichtbaar werd. De impact van het ‘ontspoorde’ buitenlands beleid van de VS (en diens bondgenoten) is rampzalig gebleken voor de credibiliteit van de mensenrechtendoctrine. In deze context werd het idee dat humanitair interventionisme gewoon een hernieuw verpakte vorm van imperialisme is, steeds relevanter. Dat puur altruïsme weinig rol speelt in politieke beslissingsprocessen op het hoogste niveau – of inderdaad in geen enkele politieke handeling – is geen recente openbaring. Elke serieuze studie van een militaire interventie, humanitair of niet, komt uiteindelijk tot eenzelfde, weinig verassende, vaststelling; geografische - en eventueel culturele – elementen, maar vooral economische en strategische belangen, bepalen welk regime/conflict het waard is om aan te pakken.
Daarom bespreek ik in dit commentaarstuk geen concrete casus, maar eerder het debat op zich, en welke achterliggend toekomstvisies de verschillende standpunten impliceren.

In het besproken artikel bekritiseert James Traub het boek “The Thin Blue Line: How Humanitarianism Went to War” van Conor Foley (1). Deze laatste past in het rijtje sceptici waarin we ook Alex de Waal en Jean Bricmont terugvinden. Het zijn denkers die het moreel failliet en de hypocrisie van het begrip en het gebruik ‘humanitaire interventie’ aanklagen. Foley komt - na jarenlange ervaring in het veld - tot de conclusie dat de laatste twintig jaar de traditionele humanitaire principes zoals onpartijdigheid en neutraliteit, steeds verder ondermijnt zijn geweest. Een ‘politiek humanitarisme’ – vergelijkbaar met Bricmonts Impérialisme Humanitaire - is zo ontstaan, en uitgegroeid tot een miljoenenindustrie die de buitenlandse agenda van de VS en de EU bepaalt. Volgens Foley moet de humanitaire sector teruggaan naar zijn apolitieke vorm, zich distantiërend van de grootmachten, die anders een moreel alibi toegespeeld krijgen om hun machtspolitiek te realiseren. Traub spreekt dit tegen, en stelt dat een actieve inmengingspolitiek op basis van mensenrechten wel degelijk een heilzaam project – ‘A fight to protect’ – is, waar een wereldwijde behoefte aan bestaat. De titel van zijn recent boek zegt genoeg: “The Freedom Agenda: Why America Must Spread Democracy (Just Not the Way George Bush Did)”(2). Hoewel hij unilaterale actie afkeurt blijft Traub een vurig voorstander van internationaal optreden; “the right of people to be free from the worst forms of mistreatment supersedes the right of states to be free from external intervention.”

Foley en Traub kunnen dienen als stereotiepe modellen voor de anti-interventionist enerzijds en de humanitaire believer anderzijds. Traub is een mondaine New Yorker, kosmopolitisch maar tegelijkertijd met dat typische Amerikaanse – zie ‘wereldvreemd’ - geloof in democratische waarden als wondergeneesmiddel. Foley belichaamt een strekking “ex-humanitaristen” die door de hypocrisie, leugens, misbruiken en menselijke catastrofes tijdens de War on Terror geen manier meer zien hoe vanuit het westen nog een humanitair of ethisch beleid gevoerd kan worden. Het ‘westers’ optreden in Irak en Afghanistan – maar ook de NATO interventie in Kosovo – hebben de desastreuze realiteit van militair interventionisme in beeld gebracht. Hierbij moet opgemerkt worden dat het ‘humanitaire’ ver te zoeken was in de opzet en de uitvoering van deze operaties, en toch wordt ‘humanitarisme’ wereldwijd steeds meer geassocieerd met imperialisme. Het argument dat politieke en maatschappelijke verandering begint bij de bevolking van het land in kwestie, lijkt bevestigd.

Maar welke conclusies moeten publiek en politici daaruit trekken? Dat een extern optreden alleen kan leiden tot de escalatie van een conflict? Wat moet de internationale gemeenschap hieruit leren? Dat een terugkeer naar het principe van niet-inmenging, de herbevestiging van nationale soevereiniteit als hoogste waarde, de enige oplossing is? Een terugkeer naar de statische wereldorde van de koude oorlog is niet alleen hoogst onwaarschijnlijk, het zal ook geen remedie zijn tegen imperialisme. Het niet-inmengings principe heeft in het verleden een perverse dynamiek voortgebracht, onschendbaarheid schenkend aan repressieve overheden. Een consequent anti-interventionisme op basis van onschendbare nationale soevereiniteit impliceert ook een achterhaald soort cultuurdeterminisme. Op die manier wordt bijvoorbeeld indirect gesteld dat genocide en massamoord eigen zijn aan een (nationale) cultuur, en dat de buitenstaander hierover geen uitspraak kan doen. Het gaat hier om de universaliteit van de woorden ‘mensenrechten’ en ‘genocide’, en hun herkenning als betekenisvolle en juridische begrippen. Deze zijn uiteraard recent in gebruik genomen, toch kunnen ze niet afgedaan worden als zijnde puur socioculturele constructies van een agressief westers liberalisme. De grondbeginselen van moderne mensenrechten zijn terug te vinden in historische wetteksten en morele traktaten doorheen de geschiedenis en overheen de continenten. Ook ‘genocide’ is een wederkerend maatschappelijk fenomeen in de wereldgeschiedenis, dat sinds de tweede wereldoorlog een moderne benaming kreeg en getheoretiseerd werd.

De inzichten van anti-interventionisten zoals Foley en Bricmont zijn waardevol; we kunnen uiteraard niet blind zijn voor het machtspel dat verscholen gaat achter de humanitaire retoriek van overheden. Er is zeker nood aan ontnuchterende analyses als tegengewicht voor overijverig humanitair idealisme. Maar de concrete aanbevelingen die denkers als Bricmont en Foley aanreiken bieden geen bevredigende oplossing op de vraag naar de mogelijkheid van een ethisch verantwoord buitenlands beleid. Auteurs zoals Traub negeren dan weer deze kernproblematiek en verwaarlozen hun betoog voor ‘de morele plicht om op te treden’ door terug te grijpen naar nationale referentiekaders. Indien de VS aan wereldwijde democratisering wil doen zal het eerst en vooral zichzelf moeten integreren in een multipolaire wereldorde waarin internationale instellingen gezag kunnen afdwingen. Er bestaat een relatieve consensus onder academici en opiniemakers dat een humanitaire interventie van militaire aard alleen legitiem is via een VN mandaat - hoewel ook dit geen belangenloze organisatie is. Idealiter zou alleen een hervormde VN – en deze hervorming zal zeker meer moeten omvangen dan een uitbreiding van de Veiligheidsraad – in samenwerking met het International Criminal Court, de bevoegdheid hebben om de soevereiniteit van een natie op te heffen. De grote vraag blijft of dat alle staten van de wereld inderdaad bereid zullen zijn om meer te investeren in globale structuren, en daarbij ook hun eigen soevereiniteit durven prijs geven.

Wie echter pleit voor een terugkeer naar een absoluut principe van soevereine onschendbaarheid, uit de overtuiging dat het internationaal systeem en de mensenrechten doctrine niets meer zijn, en zullen zijn, dan machtsinstrumenten van the powers that be, ontkent tegelijkertijd elke mogelijkheid op verbetering. Dergelijke pessimistische visie kan de intellectueel even laten meesurfen op de ‘tegendraadse’ anti-Bush stroming, maar het brengt bitter weinig bij tot het ontwikkelen van toekomstige hulpmechanismen die in reële humanitaire noodsituaties hulp zouden moeten kunnen bieden.


Referenties:

(1.) Foley C. ‘The Thin Blue Line: How Humanitarianism Went to War’ Londen, Verso, 2008.
(2.) Traub J. ‘The Freedom Agenda: Why America Must Spread Democracy (Just Not the Way George Bush Did)’ Farrar, Straus & Giroux (publ.), 2008.

Friday, 19 December 2008

Interventiecapaciteiten van een internationale organisatie

Ik vond dit boeiende artikel van Abramowitz en Pickering in het Foreign Affairs nummer van oktober 2008 (1). Het sprak me onmiddellijk aan omdat het niet zo zeer het interventionisme in een bepaald conflict of land bespreekt, maar wel het interveniëren van een bepaalde organisatie.

Het artikel van Abramowitz en Pickering vangt aan met te stellen dat diplomatieke acties ontoereikend zijn om ernstige conflicten op te lossen. Het moet duidelijk gesteld worden dat Abramowitz en Pickering de invloed van diplomatie zeker niet onderschatten, maar ze argumenteren dat acties als economische sancties en het opheffen van visa-paspoorten eerder de lokale bevolking treffen, dan dat het de politieke leiders onder druk zetten. Militair interveniëren is in hun ogen aldus de enige efficiënte mogelijkheid wanneer derde staten, of internationale organisaties, een rol willen spelen in een conflict.


In dit artikel trachten de auteurs te achterhalen waarom sommige interventies geen succes zijn. Meer specifiek bespreken zij de interventiecapaciteiten van de grootste internationale gouvernementele organisatie de Verenigde Naties (VN). In hun betoog argumenteren zij dat de VN in het verleden meermaals optrad wanneer botsingen tussen één of meerdere actoren, maar dit optreden was niet steeds succesvol. De conflicten in Sierra Leone en Bosnië zijn duidelijke illustraties van de tekortkomingen van de interventiecapaciteiten van de VN. Wanneer de organisatie in de heersende crisissen van de huidige wereldorde (zoals in Somalië en Darfur) beter wil doen, zal de VN enkele belangrijke nieuwe mechanismen moeten invoeren en hanteren, aldus Abramowitz en Pickering. Zo stellen ze dat de VN enkele interne hervormingen zal moeten doorvoeren, waardoor het aantal vetostemmingen in de Veiligheidsraad beperkt wordt en de peacekeeping-capaciteiten toenemen. De VN moet bovendien steeds met zekerheid kunnen beschikken over de nodige middelen en troepen, alvorens een interventie te starten.


Verder in hun artikel duiden beide auteurs op een feit dat in het kader van de discussie van duidelijke belang is, met name het gebrek aan betrouwbaarheid van een interventie. Zo stellen ze dat de VN kampt met een probleem van tekort aan troepen die willen deelnemen aan militaire interventies. Ook de bekende antropoloog Paul Richards stelt doorheen zijn betoog betreffende wat oorlog inhoudt, dat zowel financiële en materiële middelen als mankrachten van prominent belang zijn (2.). De VN-lidstaten zijn steeds minder bereid om ‘hun zonen’ naar het front te sturen. Meer bepaald de rijke lidstaten (met andere woorden de permanente leden van de Veiligheidsraad) prefereren het doneren van grote geldsommen boven het leveren van troepen die onder de VN-vlag willen vechten. De organisatie wordt hierdoor relatief goed in staat gesteld om hun militair arsenaal uit te breiden, maar het sturen van landtroepen ligt vaak niet in hun bereik. Wanneer de lidstaten meer bereidwillig zouden zijn om troepen te sturen én in middelen te sponsoren, zo stellen Abramowitz en Pickering, zouden de VN-interventies sterk aan geloofwaardigheid en belang winnen. In het verleden werden nota bene verschillende pogingen ondernomen om een permanent VN-leger samen te stellen dat op korte termijn kan reageren op crisissen, maar telkens stootten deze pogingen op verzet van de leden en NGO’s.


Wat in mijn ogen opzienbarend is aan dit artikel, is het feit dat de auteurs militaire interventie als vanzelfsprekend ervaren, zonder rekening te houden met de standpunten van de betrokken actoren van het land waar het conflict heerst. De houding van Abramowitz en Pickering is volledig in strijd met het standpunt van Jean Bricmont die zich in zijn boek ‘impérialisme humanitaire’ (3.) als duidelijke tegenstander profileert van Westers interventionisme met humanitaire pleidooien. Hij stelt namelijk dat de inmenging van derden in naam van het verspreiden van mensenrechten meer kwaad doet dan goed aangezien de spanningen tussen de vechtende partijen door hun tussenkomst vaak meer toenemen dan afnemen.


Naar mijn mening nemen zowel Bricmont als Abramowitz en Pickering een extreme houding aan. Ze pleiten namelijk steeds voor altijd interveniëren of nooit interveniëren. Mijns inziens is de keuze tussen deze twee onmogelijk en moet elk conflict gezien worden in haar historische, geopolitieke en actuele context. Wanneer Bricmont argumenteert dat toestemming van de betrokken regering noodzakelijk is, ziet hij dan niet over het hoofd dat deze regering in sommige gevallen de oorzaak kan zijn van het heersende conflict? Maar waar moet een organisatie of staat dan wel op toestemming vragen wanneer ze op het punt staat om een interventie te starten? Verschillende standpunten kunnen desbetreffend ingenomen worden, gaande van instemming van de grootmachten in de huidige wereldorde tot instemming van andere organisaties en bondgenoten.
Bricmont spreekt zich ook uit over het struikelblok van de VN met betrekking tot gebrek aan
troepen. Hij ziet, net zoals Abramowitz en Pickering, een oorzakelijk verband tussen het weigeren van lidstaten om troepen te leveren en het gebruik van zware militaire middelen.
Vanzelfsprekend beschikken de arme derde wereldlanden zeer zelden over een militair arsenaal dat hen in staat stelt om weerstand te bieden aan interventies die voornamelijk bestaan uit luchtbombardementen. Maar het grootste nadeel is naar mijn mening het gevolg dat de slachtoffers vaak burgers zijn en niet de beoogde kwaadaardige doelwitten. Wanneer staten of organisaties beslissen om te interveniëren in een conflict lijkt het mij ‘humanitair’ om alvorens acties te ondernemen, te bezinnen over de gevolgen voor de lokale bevolking die hun acties teweegbrengen. Wanneer men intervenieert onder de ‘humanitaire vlag’, moeten de deelnemende actoren dan niet eerst nadenken over de condities waarin de bewoners van het land zich gaan bevinden nà hun interventie, dan enkel te denken in hun ideologisch kader van verspreiding van democratie? Want welke democratische waarden blijven overeind staan als een land volledig in puin ligt en in chaos verkeert. In mijn ogen is het nemen van een beslissing tot interveniëren een eerste punt van discussie, maar ook het interveniëren zelf én voornamelijk de capaciteiten en effectiviteit van peacebuilding en peacekeeping zijn van primair belang. De interventie-actoren dienen mijn inziens vooraf duidelijkheid te creëren over de waarschijnlijke impact en gevolgen van hun interventie, al zal dit de mogelijkheid tot interveniëren op korte termijn eerder beperken. Daarom lijkt het mij, net zoals eerder in deze post aangehaald werd, in bepaalde mate opportuun om een VN-leger op te richten dat op korte termijn kan interveniëren zonder dat hier veel administratieve stadia doorlopen moeten worden. Zo ontstaan er mogelijk meer kansen om een grotere interventie beter te plannen en meer aandacht te besteden aan humanitaire aspecten van een interventie.


Referenties
(1) Abramowitz, M., Pickering T. (2008), Making Intervention Work: the UN’s Ability to Act, Foreign Affairs, 87 (40), 100-110.
(2) Richars, P. (2005), ‘No Peace, No War, an Antropology of Contemporary Armed Conflicts’, Oxford: James Curry Ltd.
(3) Bricmont, J. (2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.

Interventies: een politiek-filosofisch kader: Kant en Paine


In het artikel dat Walker (Walker, 2008)1 publiceerde in het tijdschrift ‘International studies quarterly’, wordt een poging gedaan een beeld te schetsen van het verschil tussen het evolutionaire liberalisme van Kant en het revolutionaire liberalisme van Paine en de visie van beiden op gewapende interventies.

Zonder beide visies en theoretische kaders in extenso weer te geven, worden hier de voornaamste steunpunten en gedachtengangen van beide auteurs weergegeven.

Zowel Paine als Kant was er van overtuigd dat een constitutionele republiek, gebaseerd op individuele rechten, verkozen vertegenwoordiging, de ‘Rule of Law’ en scheiding der machten, de ideale staatsvorm was. Een staat als deze wordt tegenwoordig democratie genoemd, maar noch Kant noch Paine gebruikte deze naam om deze staatsvorm te benoemen.
Ze waren er ook van overtuigd dat deze ‘democratieën’2 zouden zorgen voor vrede tussen de staten. Internationale organisaties en internationale handel zouden deze vrede nog verder bewerkstelligen, aldus de auteurs.

De verschillende visie van beide auteurs op het vlak van interventies, zijn onlosmakelijk verbonden met het verschillende mensbeeld van beide auteurs.

In het revolutionaire liberalisme van Paine (Paine, 1791)3, worden mensen beschouwd als zeer morele wezens, gekarakteriseerd door rede en goedheid. Deze rede, moraliteit en goedheid zijn dus de basis van de inherent goede mens, maar vaak worden de mensen gecorrumpeerd en hun goedheid vertroebeld door corrupte vormen van bestuur. Een democratische revolutie zou de mens bevrijden van deze corrumperende regering, en de mens zou terugkeren naar zijn originele, ‘goede’ zelf. Paine was er van overtuigd dat deze overgang van het corrupte regime naar de democratie zeer snel zou gaan, en hij betwijfelde dan ook of de corrupte regimes in Europa nog meer dan een decennium zouden standhouden.
Rekening houdende met het feit dat Paine zijn werk in 1793 publiceerde, kunnen we stellen dat de geschiedenis deze stelling duidelijk heeft ontkracht.

Kant op zijn beurt had een iets voorzichtiger, donkerder beeld van de mens (Kant, 1795)4.
Hij ging zelfs zo ver om op een bepaald moment oorlog te beschouwen als iets inherent menselijks. Hij nuanceerde dit echter door te stellen dat de mens –op basis van de rede- echter in staat was om weg te evolueren van deze oerstaat om uiteindelijk in vrede te leven.
Hét vehikel voor deze evolutie was volgens Kant een goede organisatie van de staat. Die goede organisatie moet ervoor zorgen dat de individuele verlangens van de mensen aan elkaar tegengesteld worden zodat de mens (ook al is hij au fond niet moreel goed) toch aangespoord wordt een goed burger te zijn. Kant was er echter van overtuigd dat deze evolutie (zowel van de staat als van de mens) een traag, gradueel proces is, dat niet zomaar direct verwezenlijkt kan worden.
Deze visie op de mens en de politieke instituties wordt ook gekend onder de noemer ‘evolutionair liberalisme’.

Indien we deze twee verschillende visies goed analyseren, is het verschil in visie in verband met interventies niet zo moeilijk te begrijpen.

Paine, die uitging van de goedheid van de mens, was er ook van overtuigd dat indien de corrumperende regeringen verwijderd werden, de mens zou terugkeren naar zijn goede zelf en de waarde van vrijheid, rechtvaardigheid en democratie zou aanvaarden. Hij zag de wereld als een samenhangend geheel, waar democratieën constant bedreigd worden door niet-democratische staten. De oplossing was dan ook om te zorgen voor democratische regeringen over heel de wereld. Militaire interventies om de corrupte regimes omver te werpen en het volk te bevrijden, zijn dus volgens de logica van Paine geoorloofd.

Kant op zijn beurt had een iets minder positief mensbeeld, maar geloofde ook dat democratieën mensen kunnen aanzetten tot goedheid. Zoals eerder al gesteld was hij er van overtuigd dat dit een traag en gradueel proces is. Het opdringen van een democratische staatsvorm is volgens Kant niet alleen een schending van de soevereiniteit, maar ook vrij nutteloos. Het graduele evolutionaire proces van democratisering zou op deze manier onderbroken worden, en de staat zou vervallen in een complete anarchie. Een militaire interventie om een land te democratiseren is dus volgens de Kantiaanse logica niet alleen een schending van de soevereiniteit, maar ook gewoon gevaarlijk en nutteloos.

Een kleine studie van deze twee zeer invloedrijke filosofen leert ons dat het debat in verband met militaire interventies liberale (en andere denkers) al lang bezighoudt.
Beide filosofen schreven hun werk in de periode rond de Franse en Amerikaanse revolutie, waardoor ze overtuigd waren van de doeltreffendheid en noodzakelijkheid van een democratie. Paine’s beeld van de mens als een inherent ‘goed’ iemand is misschien iets optimistischer, maar los van dit (al dan niet correcte) beeld is het duidelijk dat hij de politiek-institutionele realiteit uit het oog verliest.

Als we deze beide visies nu vergelijken met de visie van Bricmont (Bricmont, 2008)5 in verband met humanitaire interventies, kunnen we stellen dat hij het dichtste aansluit bij Kant. Hij pleit ook tegen interventies en wijst (net als kant) op het belang van samenwerking en het respect voor de nationale soevereiniteit. De roots van Bricmont liggen dus waarschijnlijk eerder in de evolutionair-liberale stroming van oa Kant dan in de revolutionair-liberale stroming van oa Paine.

De vestiging van politieke democratieën in het Westen is een proces dat eeuwen geduurd heeft. Verwachten dat een politiek systeem met een cultureel andere achtergrond en geen echte traditie van inspraak van het volk, op een snel tempo kan veranderen en zo maar de westerse waarden opeens kan overnemen, is volgens mij dan ook een utopie.
Politieke instituties zijn meestal systemen die gesteund worden door (een groot deel van) de maatschappij en er stevig in verankerd zitten. Politiek-intitutionele veranderingen zijn mogelijk, maar moeten van onderuit beginnen. Staatsstructuren die van bovenaf opgelegd worden missen meestal legitimiteit bij het volk, en leiden dan op hun beurt tot een burgeroorlog, volksopstand, een nieuwe (intern gesteunde) revolutie of zorgen ervoor dat een autoritair of radicaal regime op ‘democratische’ wijze aan de macht komt.

Democratie wordt door het grootste deel van de (westerse) wereld beschouwd als dé staatsvorm bij uitstek. Indien we onze democratische waarden willen verspreiden over de wereld, is een aanpak van sensibilisering en diplomatie veel waardevoller dan een aanpak van (blinde) militaire interventies. Deze interventies worden namelijk vaak door de plaatselijke bevolking gezien als een bezetting of een vorm van post-colonialisme, waardoor de democratische boodschap toch in dovemansoren valt, en de plaatselijke maatschappij vaak in een chaos vervalt. Deze chaos voedt op zijn beurt anti-democratische en radicale stromingen waardoor de interventie als puntje bij paaltje komt vaak een contra-productief effect heeft.

Ik moet me dus aansluiten bij Kant (en bricmont), die niet gelooft dat een politieke democratie zo maar op een twee drie kan opgelegd worden. Een kijk op onze eigen westerse geschiedenis en de trage evolutie op mensenrechtelijk en democratisch vlak, moet ons doen beseffen dat ook in andere delen van de wereld nog meer tijd nodig is.


-------------------------------------------------------------------------------------
1.WALKER, C., ‘Two faces of liberalism: Kant, Paine and the question of Intervention”, International studies Quarterly, 2008, 52, p. 449-468
2.Niettegenstaande het feit dat geen van beide auteurs de naam Democratie gebruikte om deze staatsvorm te beschrijven, wordt in de loop van dit stuk toch beroep gedaan op deze term om bovengenoemde staatsvorm te beschrijven.
3.PAINE, T., 1791, Rights of Man, Baltimore, 1969, Pengiun books.
4.KANT, I., 1795, Perpetual peace, in ‘Kant’s Political writings’, Cambridge University press.
5.BRICMONT, J, 2008, “the violent folly of Humanitarian inerventionism”, Counterpunch, 27 maart 2008.