Showing posts with label David D'Hollander. Show all posts
Showing posts with label David D'Hollander. Show all posts

Saturday, 27 December 2008

Vredehandhaving in DR-Congo: Neo-Imperiale ondertoon?

Sinds zijn oprichting eind 1999 is de VN operatie in de Democratische Republiek Congo, bekend onder zijn Franstalige afkorting MONUC, uitgegroeid tot de grootste in zijn soort. Na de 2de Congolese oorlog – met acht betrokken landen ook wel de Afrikaanse wereldoorlog genoemd - besloot de internationale gemeenschap het ‘hart van Afrika’ te stabiliseren, democratiseren en pacificeren. Of de doelstellingen van dit grootschalige state-building project werden verwezenlijkt staat hier niet centraal. Ook zal in deze korte uiteenzetting niet ingegaan worden op de historische wortels, de politieke gebeurtenissen, het ‘etnische’ element van het conflict; deze duizelingwekkende complexiteit wordt grotendeels achterwege gelaten. Wat mij hier interesseert is waar de Congolese VN vredesmissie, geïnterpreteerd als een langgerokken humanitaire interventie, gepositioneerd kan worden op het spanningsveld tussen ‘het humanitaire’ en ‘het eigenbelang’ van de ingreep.

Twee tegenovergestelde visies bieden zich aan. Enerzijds de MONUC als puur humanitaire missie zoals vastgelegd in de doelstellingen en statuten. Anderzijds de MONUC als een ‘marktstabiliserende factor’, met als doel de buitenlandse zakenbelangen, de grondstoffenexport, te bestendigen. De eerste stelling spreekt voor zich, het is vooral deze laatste interpretatie van peacekeeping als uitwaaier van westerse wereldhegemonie, die hier besproken wordt. Zijn de 17.000 blauwhelmen op een humanitiare of een neokoloniale missie?

Het wereldwijd economisch belang van Congo als leverancier van goud, uranium, tin, kobalt en andere kostbare grondstoffen is onmiskenbaar. Het lopende en vorige conflicten in het land worden door westerse waarnemers teruggebracht tot ofwel langlopende etnische twisten, of grondstoffenoorlogen. Aanhangers van de ‘grondstoffen-analyse’ beschuldigen aanhangers van de ‘etnische-analyse’ ervan de actieve rol van buitenlandse, zie westerse, bedrijven en landen te verbergen. Zonder diep in te gaan op de conflictanalyse, moet gezegd worden dat beidde factoren meespelen en elkaar niet uitsluiten. Het is de meest ‘radicale’ versie van de Congolese instabiliteit als gevolg van ‘immorele’ buitenlandse zakeninteresses die ik hier kort behandel, omdat deze de basis vormt voor de deconstructie van het westers humanitair project in het land.

De explosieve stijging in de vraag naar kasseriet en kobalt, ertsen verwerkt in GSM’s, draadloze apparatuur en computerchips, wordt steeds vaker naar voren geschoven als de bron van het nieuwe geweld in Oost-Congo.



zie ook: http://www.youtube.com/watch?v=O1FQmUQ1-mM

Nu al wordt gesproken van ‘blood cell phones’ en de ‘Cell Phone wars’(1). De multinationale geldschieters van de gewapende strijd worden buiten het pacificeringsproces gehouden. Op die manier doet de internationale gemeenschap zijn humanitaire rol in feite teniet, en neemt een zeer ambigue houding aan. Deze vaststelling sluit aan bij verdere ‘Bricmontiaanse’/ ‘Chomskiaanse’ redeneringen, waarin een soort westers georchestreerde, geweldinducerende, grondstoffenroof centraal staat. Vanuit dit perspectief maken de humanitaire inspanningen in Congo deel uit van het imperiaal/neoliberaal project, met westerse handelsbelangen als belangrijkste drijfveer. Door zijn zwakke staatsstructuur en afhankelijkheid van hulp is het land bovendien een makkelijk doelwit geweest van externe inmenging. Traditioneel zijn er drie landen met gevestigde interesses in het land; België, Frankrijk en de VSA. Deze troika heeft het politieke leven van het land bepaalt sinds de onafhankelijkheid. De MONUC troepenmacht is de meest recente en tastbare manifestatie van deze machtsrelatie.

Volgens deze denkwijze is er geen verschil tussen de commerciële belangen van de internationale bedrijven in Congo, de nationale belangen van de verscheidene donorlanden, en de plannen die in de Veiligheidsraad tot stand komen. Deze laatste dient dan om een ‘humanitair’ élan te geven aan het neokoloniaal project. Als we doorheen deze dekmantel kijken zien we de MONUC in zijn echte gedaante; een machtsinstrument met als hoofddoel de fysieke bescherming van enkel buitenlands personeel en materiaal, en het verzekeren dat te veel geweld niet de grondstoffenexport doet stilvallen. Het beperkte mandaat is het bewijs dat het hier niet gaat om de bescherming van een noodlijdende burgerbevolking, maar dat de troepenmacht een soort vangnet is om gewelduitbarstingen tegen westerse doelwitten te voorkomen. Erger nog, de blauwhelmen waren betrokken in wapenhandel en prostitutieschandalen, maar genieten een zekere straffeloosheid. Ze gedragen zich, met andere woorden, als “thuggish enforcers for imperial powers”.(2)

Hoe geloofwaardig is bovenstaande interpretatie van UN peacekeeping als dekmantel voor neokoloniale beleidspraktijken? Zijn blauwhelmen de stoottroepen van een nieuwe imperiale wereldorde? Verscheidene aspecten kloppen; er zijn buitenlandse economische interesses die meespelen, de soevereiniteit van een Afrikaanse land wordt zelden gerespecteerd, de blauwhelmen zijn inefficiënt in het beschermen van de burgerbevolking en hun pacificerende rol is twijfelachtig... Maar is de MONUC, ondanks de enorme problemen en schandalen in de praktijk, een non-humanitaire missie? Was de internationale wil om Congo te stabiliseren een kwestie van Impérialisme Humanitaire?

Zelfs de meest doorwinterde scepticus zal moeten toegeven dat er een relatief apolitieke ‘humanitarian goodwill’ bestond vanuit de internationale gemeenschap in het opzetten en financieren van de mastodont missie in DR Congo. Dit wil niet zeggen dat er geen commerciële en geostrategische belangen op het spel staan, of dat men er daadwerkelijk is in geslaagd een democratische staat van Congo te maken. Zoals eerder gesteld gaat het hier niet om de verwezenlijkingen of fouten van de VN-missie, maar op de manier hoe die op verschillende manieren geframed kan worden. In bovenstaande uiteenzetting werd de imperiale logica van VN vredehandhaving gradueel uitvergroot om aan te tonen hoe ook in dit soort discours de realiteitszin soms verwaterd. Het inzicht dat er meer achter humanitair beleid schuilt dan te lezen valt in officiële verklaringen is waardevol, maar ook hierin moet men genuanceerd zijn. Er is steeds een kruisbestuiving van nationale belangen en humanitaire intenties nodig vooraleer iets ondernomen wordt vanuit de VN. Botweg stellen dat de hebzucht van een westers militair-industrieel complex aan de fundering ligt van de MONUC, en elk ander VN initiatief, is weinig overtuigend.

Een 'bewijs' van de humanitaire aard van de missie kan gezien worden in het nieuwe mandaat dat vandaag werd goedgekeurd door de Veiligheidsraad (3). Blauwhelmen zullen nu ook kunnen optreden tegen het regeringsleger en regeringsgezinde milities, om zo een actievere rol te spelen in de bescherming van de bevolking. Tegelijkertijd blijft de westerse inspanning dubbelzinnig, een importverbod op ertsen uit conflictgebieden zou inderdaad grotere gevolgen hebben dan meer vredestroepen sturen.

referenties:
1. Robin Browne ‘Blood cell phones’ worsen crisis in the Congo’ Alternatives, 19 Juli 2008 (http://www.alternatives.ca/article3968.html geraadpleegd 22/12/2008)
2. Stephen Lendman ‘UN Peacekeeping Paramilitarism: The Rules of Imperial Management’ Counterpunch, 15 februari 2007 (http://www.counterpunch.org/lendman02152007.html, geraadpleegd op 23/12/2008)
3. BBC news ‘New Mandate for DR Congo UN Force’ (http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/7796430.stm geraadpleegd op 23/12/2008)

Wednesday, 24 December 2008

Het Risico van een Humanitaire Norm voor Internationale Interventie

Bespreking 'The Moral Hazard of Humanitarian Intervention: Lessons from the Balkans' Alan J. Kuperman in International Studies Quarterly nr.52, 2008, pp. 49–80.


De meest gangbare kritiek op het concept van ‘humanitaire interventie’ is de apologetische rol die de mensenrechtendoctrine speelt in de brutale machtspolitiek van het Witte Huis, en bij uitbreiding het ‘hegemonische Westen’. Indien we deze problematiek buiten beschouwing laten, en ervan uitgaan dat er zoiets bestaat als een ‘oprechtte’ en ‘gegronde’ humanitaire interventie, dan nog creëert deze hypothetische rechtvaardige wereldorde enkele acute problemen.

Kuperman beschrijft in dit artikel hoe een ‘moreel risico’ ontstaat door het verschuiven van de normen voor interventie. Dit risico komt neer op het bewust uitlokken van genocidale represailles en massaslachtingen door rebellenbewegingen, die daardoor kunnen rekenen op externe steun en profiteren van een mogelijke humanitaire interventie. Omdat de internationale gemeenschap de ‘Responsibility to Protect’ (R2P) op zich neemt – hoewel vandaag niet meer dan een voornemen - zal dit volgens Kuperman het ontstaan van conflicten stimuleren. Hij ontwaart een dynamiek waarbij afscheidingsbewegingen via gewelddadige aanvallen op bestaande staatsstructuren bewust grootschalige slachtingen van een onschuldige bevolking provoceren. Pas na het hoogtepunt van dit interstatelijke geweld komt er externe inmenging, in het voordeel van de opstandelingen die de dynamiek van geweld in werking stelden. Dit schept dan weer een precedent voor andere opstandige elementen om over te gaan tot gewelddadige actie.

Bovendien, zo stelt Kuperman, is de dreiging uitgaande van internationaal ingrijpen niet adequaat gebleken om repressieve en genocidale acties van overheden te voorkomen. Om zijn these kracht bij te zetten, en duidelijk te maken dat de ‘moral hazard’ geen hypothetisch gevaar is, worden twee historische voorbeelden aangereikt: de Bosnische secessie van Joegoslavië vanaf 1992, en de gewapend onafhankelijkheidsstrijd in Kosovo vanaf 1998. In beidde gevallen rekenden de rebellen op een optreden van de internationale gemeenschap om hun te helpen in hun strijd. In het geval van de Bosnische afscheiding hadden de rebellen zich misrekend in die zin dat, alhoewel de VS en de EU de afscheiding steunden, ze waarschijnlijk directe militaire steun hadden verwacht. Daardoor verwierpen ze de lopende onderhandelingen en provoceerden, slecht voorbereid en slecht bewapend, een oorlog met Joegoslavië. Na bijna vier jaar bloedige strijd wordt via bemiddeling van de VS en de EU een vredesakkoord bereikt met voorwaarden voor een onafhankelijk Bosnië die gelijkaardig waren aan de oorspronkelijke onderhandelingen.

In 1998 ontketend het Kosovo Liberation Army (KLA) een gewapende onafhankelijkheidsstrijd. Ook hierop volgen, zoals verwacht, represailles vanuit Belgrado. Maar anders dan bij de Bosnische strijd werd nu wel ingegrepen door de het westen, gestuwd door de Clinton administratie. Op een moment de het Joegoslavische leger de rebellen van het KLA zo goed als overwonnen had, gaf de ‘humanitaire’ interventie van de NATO een nieuwe gewelddadige wending aan het conflict. De NATO ontpopte zich in het conflict als de ‘Royal Air Force of the KLA’ hoewel dit officieel ontkent werd. Kuperman argumenteert dat het conflict snel en met weinig burgerslachtoffers had kunnen aflopen, maar dat door het NATO ingrijpen het geweld snel escaleerde. De humanitaire ingreep had als gevolg een enorme toename van het aantal onschuldige doden, de overwinning van de extremistische KLA, en recent de onafhankelijkheid van Kosovo.

Kuperman presenteert hier een interessante these, en onderbouwt hem met enkele concrete voorbeelden. Toch kunnen we ons afvragen in welke mate de les die hij trekt uit de versplintering van Joegoslavië toepasbaar is op andere conflicten. De zogenaamde ‘morele standaard’ is vandaag dermate zwak dat weinig rebellenleiders volgens deze logica zouden inspelen op de internationale gemeenschap. Het actief uitlokken van genocidale repressies om zo externe interventies te provoceren is niettemin een plausibele perversie van het R2P principe. Indien er een toekomst is voor de mensenrechtendoctrine dan is neutraliteit hierin cruciaal. Eerder werd al uitvoerig aangetoond dat de humanitaire(altruïstische) intentie van een interventie meestal ondergeschikt is aan (geo-)politieke motieven. Maar indien de aanleiding van een noodsituatie wortelt in het bewust creëren van slachtoffergroepen vanuit politieke hoek, dan lijkt een neutraal ingrijpen onbegonnen werk.

Wat de notie van ‘Moral Hazard’ duidelijk maakt is de nood aan een uitgebreide expertise van de conflictsituatie, een begrip van de bestaande politieke/sociale/etnische/religieuze situatie vooraleer hierin wordt ingegrepen. In bijna alle interventies die we de laatste decennia zagen plaatsvinden was dergelijke kennis en inzicht onbestaande. Weer kan Irak hier als het meest extreme voorbeeld gelden; zonder enige voorkennis ,of zelfs nog maar een idee over wat na de militaire fase moest gebeuren, werd hier op uitzonderlijk klungelige manier een staat ontmanteld en ‘heropgebouwd’. In tegenstelling tot dit soort blinde en eenzijdige interventies zou de internationale gemeenschap moeten ijveren voor een ‘contextgevoelig’ ingrijpen. Dit soort aanpak, waarbij respect voor bestaande maatschappelijke structuren en adequate communicatie met, en inspraak van, de bevolking centraal staat, zou het tegengestelde moeten zijn van het zogenaamde Impérialisme Humanitaire.

Een laatste bedenking bij Kupermans ‘Moral Hazard’ these is dat deze recht tegenover Bricmonts uitgangspunt van ‘the Great Western Delusion’ staat. Die laatste argumenteert dat er nergens vraag is naar westerse interventie, terwijl Kuperman zo ver gaat te stellen dat er gerekend en ingespeeld wordt op het vooruitzicht van externe inmenging. Hoe de bevolking binnen een conflictzone zich positioneert tegenover buitenlands ingrijpen is uiteraard zeer uiteenlopend. Er rusten wel degelijk verwachtingen op de internationale gemeenschap, deze kunnen niet zomaar afgedaan worden als een zelfbevredigende westerse illusie. Maar of minderheidsgroepen massaal suïcidale opstanden zullen uitvoeren om zo humanitaire steun te verkrijgen, is twijfelachtig. Hoe dan ook blijft het een uiterst delicaat vraagstuk naar waar en wanneer een militaire humanitaire interventie geoorloofd zou zijn. Een multilaterale, contextgevoelige en ‘gevraagde’ interventie zou het unilaterale, ‘imperiale’ interventionisme moeten vervangen. Ook dit soort internationaal ingrijpen zal nooit volledig politiek neutraal kunnen zijn, maar moeten we hierin niet pragmatisch zijn wanneer geweld escaleert en massamoord in het vooruitzicht ligt?

Sunday, 21 December 2008

Soevereine onschendbaarheid als oplossing voor hedendaags humanitair imperialisme?

Bespreking James Traub ‘A fight to protect’ in Foreign Policy, November/December 2008, pp.80-82.

De laatste jaren werd de humanitaire retoriek zodanig ver gerokken, dat de discrepantie tussen discours en realiteit pijnlijk zichtbaar werd. De impact van het ‘ontspoorde’ buitenlands beleid van de VS (en diens bondgenoten) is rampzalig gebleken voor de credibiliteit van de mensenrechtendoctrine. In deze context werd het idee dat humanitair interventionisme gewoon een hernieuw verpakte vorm van imperialisme is, steeds relevanter. Dat puur altruïsme weinig rol speelt in politieke beslissingsprocessen op het hoogste niveau – of inderdaad in geen enkele politieke handeling – is geen recente openbaring. Elke serieuze studie van een militaire interventie, humanitair of niet, komt uiteindelijk tot eenzelfde, weinig verassende, vaststelling; geografische - en eventueel culturele – elementen, maar vooral economische en strategische belangen, bepalen welk regime/conflict het waard is om aan te pakken.
Daarom bespreek ik in dit commentaarstuk geen concrete casus, maar eerder het debat op zich, en welke achterliggend toekomstvisies de verschillende standpunten impliceren.

In het besproken artikel bekritiseert James Traub het boek “The Thin Blue Line: How Humanitarianism Went to War” van Conor Foley (1). Deze laatste past in het rijtje sceptici waarin we ook Alex de Waal en Jean Bricmont terugvinden. Het zijn denkers die het moreel failliet en de hypocrisie van het begrip en het gebruik ‘humanitaire interventie’ aanklagen. Foley komt - na jarenlange ervaring in het veld - tot de conclusie dat de laatste twintig jaar de traditionele humanitaire principes zoals onpartijdigheid en neutraliteit, steeds verder ondermijnt zijn geweest. Een ‘politiek humanitarisme’ – vergelijkbaar met Bricmonts Impérialisme Humanitaire - is zo ontstaan, en uitgegroeid tot een miljoenenindustrie die de buitenlandse agenda van de VS en de EU bepaalt. Volgens Foley moet de humanitaire sector teruggaan naar zijn apolitieke vorm, zich distantiërend van de grootmachten, die anders een moreel alibi toegespeeld krijgen om hun machtspolitiek te realiseren. Traub spreekt dit tegen, en stelt dat een actieve inmengingspolitiek op basis van mensenrechten wel degelijk een heilzaam project – ‘A fight to protect’ – is, waar een wereldwijde behoefte aan bestaat. De titel van zijn recent boek zegt genoeg: “The Freedom Agenda: Why America Must Spread Democracy (Just Not the Way George Bush Did)”(2). Hoewel hij unilaterale actie afkeurt blijft Traub een vurig voorstander van internationaal optreden; “the right of people to be free from the worst forms of mistreatment supersedes the right of states to be free from external intervention.”

Foley en Traub kunnen dienen als stereotiepe modellen voor de anti-interventionist enerzijds en de humanitaire believer anderzijds. Traub is een mondaine New Yorker, kosmopolitisch maar tegelijkertijd met dat typische Amerikaanse – zie ‘wereldvreemd’ - geloof in democratische waarden als wondergeneesmiddel. Foley belichaamt een strekking “ex-humanitaristen” die door de hypocrisie, leugens, misbruiken en menselijke catastrofes tijdens de War on Terror geen manier meer zien hoe vanuit het westen nog een humanitair of ethisch beleid gevoerd kan worden. Het ‘westers’ optreden in Irak en Afghanistan – maar ook de NATO interventie in Kosovo – hebben de desastreuze realiteit van militair interventionisme in beeld gebracht. Hierbij moet opgemerkt worden dat het ‘humanitaire’ ver te zoeken was in de opzet en de uitvoering van deze operaties, en toch wordt ‘humanitarisme’ wereldwijd steeds meer geassocieerd met imperialisme. Het argument dat politieke en maatschappelijke verandering begint bij de bevolking van het land in kwestie, lijkt bevestigd.

Maar welke conclusies moeten publiek en politici daaruit trekken? Dat een extern optreden alleen kan leiden tot de escalatie van een conflict? Wat moet de internationale gemeenschap hieruit leren? Dat een terugkeer naar het principe van niet-inmenging, de herbevestiging van nationale soevereiniteit als hoogste waarde, de enige oplossing is? Een terugkeer naar de statische wereldorde van de koude oorlog is niet alleen hoogst onwaarschijnlijk, het zal ook geen remedie zijn tegen imperialisme. Het niet-inmengings principe heeft in het verleden een perverse dynamiek voortgebracht, onschendbaarheid schenkend aan repressieve overheden. Een consequent anti-interventionisme op basis van onschendbare nationale soevereiniteit impliceert ook een achterhaald soort cultuurdeterminisme. Op die manier wordt bijvoorbeeld indirect gesteld dat genocide en massamoord eigen zijn aan een (nationale) cultuur, en dat de buitenstaander hierover geen uitspraak kan doen. Het gaat hier om de universaliteit van de woorden ‘mensenrechten’ en ‘genocide’, en hun herkenning als betekenisvolle en juridische begrippen. Deze zijn uiteraard recent in gebruik genomen, toch kunnen ze niet afgedaan worden als zijnde puur socioculturele constructies van een agressief westers liberalisme. De grondbeginselen van moderne mensenrechten zijn terug te vinden in historische wetteksten en morele traktaten doorheen de geschiedenis en overheen de continenten. Ook ‘genocide’ is een wederkerend maatschappelijk fenomeen in de wereldgeschiedenis, dat sinds de tweede wereldoorlog een moderne benaming kreeg en getheoretiseerd werd.

De inzichten van anti-interventionisten zoals Foley en Bricmont zijn waardevol; we kunnen uiteraard niet blind zijn voor het machtspel dat verscholen gaat achter de humanitaire retoriek van overheden. Er is zeker nood aan ontnuchterende analyses als tegengewicht voor overijverig humanitair idealisme. Maar de concrete aanbevelingen die denkers als Bricmont en Foley aanreiken bieden geen bevredigende oplossing op de vraag naar de mogelijkheid van een ethisch verantwoord buitenlands beleid. Auteurs zoals Traub negeren dan weer deze kernproblematiek en verwaarlozen hun betoog voor ‘de morele plicht om op te treden’ door terug te grijpen naar nationale referentiekaders. Indien de VS aan wereldwijde democratisering wil doen zal het eerst en vooral zichzelf moeten integreren in een multipolaire wereldorde waarin internationale instellingen gezag kunnen afdwingen. Er bestaat een relatieve consensus onder academici en opiniemakers dat een humanitaire interventie van militaire aard alleen legitiem is via een VN mandaat - hoewel ook dit geen belangenloze organisatie is. Idealiter zou alleen een hervormde VN – en deze hervorming zal zeker meer moeten omvangen dan een uitbreiding van de Veiligheidsraad – in samenwerking met het International Criminal Court, de bevoegdheid hebben om de soevereiniteit van een natie op te heffen. De grote vraag blijft of dat alle staten van de wereld inderdaad bereid zullen zijn om meer te investeren in globale structuren, en daarbij ook hun eigen soevereiniteit durven prijs geven.

Wie echter pleit voor een terugkeer naar een absoluut principe van soevereine onschendbaarheid, uit de overtuiging dat het internationaal systeem en de mensenrechten doctrine niets meer zijn, en zullen zijn, dan machtsinstrumenten van the powers that be, ontkent tegelijkertijd elke mogelijkheid op verbetering. Dergelijke pessimistische visie kan de intellectueel even laten meesurfen op de ‘tegendraadse’ anti-Bush stroming, maar het brengt bitter weinig bij tot het ontwikkelen van toekomstige hulpmechanismen die in reële humanitaire noodsituaties hulp zouden moeten kunnen bieden.


Referenties:

(1.) Foley C. ‘The Thin Blue Line: How Humanitarianism Went to War’ Londen, Verso, 2008.
(2.) Traub J. ‘The Freedom Agenda: Why America Must Spread Democracy (Just Not the Way George Bush Did)’ Farrar, Straus & Giroux (publ.), 2008.