Showing posts with label Annemie Valgaeren. Show all posts
Showing posts with label Annemie Valgaeren. Show all posts

Tuesday, 30 December 2008

Clinton = Clinton ?

Het vinden van een entertainmentvideo over humanitair interventionisme is zo goed als onbegonnen werk. Een ‘zwaar’ onderwerp, zoals dat van deze blog, is namelijk niet om te lachen. In mijn zoektocht naar een boeiend interview of nieuwsbericht stootte ik op een zeer recente videopost van een nieuwsflash van de Amerikaanse zender RTTV (1). In dit nieuwsbericht rapporteert RTTV over de toenemende vrees in de Amerikaanse diplomatische kringen over het beleid van voormalig ‘first lady’ Hillary Clinton die vanaf 20 januari 2009 het ambt van Amerikaans Minister van Buitenlandse Zaken voor haar rekening zal nemen.



Zij heeft namelijk de afgelopen week een aantal ‘special envoys’ benoemd die ook onder het presidentschap van haar man Bill Clinton aanwezig waren in het Witte Huis. Door deze benoemingen ontstond in de Amerikaanse media en diplomatieke wereld de indruk dat Mevrouw Clinton de macht van haar departement (opnieuw) wil uitbreiden én de Obama-administratie in de richting van een overzees militair interventionisme wil duwen, een beleidsvorm die reeds enkele jaren bekend staat als de Clintondoctrine. Tijdens het Bush-junior tijdperk waren het aantal speciale gezanten zeer beperkt, maar nu blijkt dat Hillary Clinton dit gebruik dus terug in te willen voeren. Deze diplomaten zouden vooral in het Midden-Oosten en de Balkanlanden een invloedrijke rol gaan spelen.

Een andere Amerikaanse persbron, The Chicago Tribune, schreef dat Hillary Clinton als een blok achter haar man stond in de jaren ’90 toen deze besloot om te interveniëren in Haïti, Bosnië en Kosovo (2).

Een belangrijke naam die in het nieuwsbericht van RTTV genoemd wordt, is die van Richard Holbrooke. In de toekomst zal hij waarschijnlijk de moeilijke taak krijgen van gezantschap in Afghanistan, Pakistan en mogelijk ook in Iran moeten invullen. Holbrooke was de Amerikaanse Ambassadeur in Duitsland in de jaren 1993 en 1994, Assistent-Secretaris van Europese Zaken en de Amerikaanse Ambassadeur in de VN onder de Clinton- administratie. Maar zijn aanstelling leidt vooral tot opschudding binnen diplomatieke kringen omdat hij tijdens de Balkanoorlog Clintons ‘boodschapper’ was. Hij leverde namelijk Clintons ultimatum aan de Bosnische Serviërs en later ook aan Belgrado. Een boeiend weetje hierover is dat Radovan Karadzic (de Bosnisch-Servische oud-president) beweert dat Holbrooke hem in ruil voor het ondertekenen van de Dayton Agreement, immuniteit van vervolging beloofde, een belofte die duidelijk niet nagekomen werd gezien het feit dat Karadzic recent van genocide beschuldigd werd voor het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag.

De Clintondoctrine van humanitair interventionisme die zogenaamd in teken stond van het beschermen van mensenrechten, kwam onder vuur te liggen eind jaren ’90 toen de VN-Veiligheidsraad weigerde om militaire acties tegen Belgrado goed te keuren. Ondanks het uitblijven van een VN-toestemming en het aanblijvende verzet van verschillende internationale fronten, besloot Clinton om Servië maar liefst 77 dagen te bombarderen, wat vele burgerslachtoffers eiste. De Amerikaanse interventie in Bosnië werd achteraf door een deel van de wereld gezien als een humanitaire interventie, maar de rest van de wereld zag deze tussenkomst als een schending van de mensenrechten en van de soevereiniteit van een land. Jean Bricmont ziet deze mislukking in zijn boek ‘humanitair interventionisme’ logischerwijze als een duidelijke illustratie van zijn theorie dat interventies, zeker wanneer deze uitgevoerd worden zonder toestemming van de betrokken actoren, meer kwaad doen dan goed (3).

Vanzelfsprekend komen de interventies die Bill Clinton tijdens zijn ambt ondernam en die onmiskenbaar geen groot succes waren, nu terug in het daglicht te staan. Wanneer Hillary Clinton tijdens haar ambt als Minister van Buitenlandse Zaken in de voeten gaat treden van haar man, en deze kans is in mijn ogen relatief groot, zal dit ongetwijfeld leiden tot interne en externe kritiek. Hillary Clinton maakte in haar betogen van het afgelopen jaar, maar ook in de jaren daarvoor, duidelijk dat ze prominente voorstander is van interventies in het buitenland die in het teken staan van het beschermen van de mensenrechten: ‘Human Rights are central in our objectives abroad’ en ‘the US should do more than intervene in splendid little wars in which it can prevail’ zijn uitspraken van oktober 2000 die hiervan een goed voorbeeld zijn (4). Maar voor de toekomstige ‘Secretary of State’ is het van cruciaal belang dat ze niet de fouten maakt die haar man in het verleden beging. Clinton kan vandaag gebruik maken van de ‘responsibility to protect’ (R2P), een tendens die door mijn collega’s op deze blog reeds uitgebreid besproken werd. Maar zelfs met dit principe als ruggensteun blijft het gevaar bestaan dat de legaliteit en legitimiteit van een interventie niet optimaal is, een stelling die ook Chomsky verdedigt (5). Bovendien mag niet vergeten worden dat de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om te interveniëren onder het mom van R2P niet te onderschatten zijn. Zo had de interventie van Bill Clinton in Bosnië naar mijn mening niet voldaan aan deze criteria, maar dit is zonder meer voer voor verdere discussie.

Ik zou dan ook graag deze post afsluiten met een vraagstelling (die in sterke mate aansluit bij onderstaande post van Barbara en in beperkte mate bij andere artikels op deze blog) en mijn mening desbetreffend, die de discussie van nog meer voer zal voorzien, want is dit niet het uiteindelijke opzet van deze taak?

Zal Hillary Clinton tijdens haar mandaat als Minister van Buitenlandse Zaken in Birma interveniëren onder het mom van R2P? Ik denk het niet, want de Amerikaanse economische en andere belangen in Birma zijn niet van die mate dat de VS bereid zal zijn om financiële en militaire middelen in te zetten, losstaande van de ernst van de dreiging van het heersende conflict.



Referenties
(1) RTTV (2008), Hillary hints at Foreign Interference; Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.youtube.com/watch?v=5A2_W5bxYOs
(2) Chapman, S. (2008), Flock of Hawks. Chicago Tribunal, Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.chicagotribune.com/news/chi-chapman-flock-of-hawks,0,7341354.column
(3) Bricmont, J. (2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.
(4) On the issue (2004), Hillary Clinton Forein Policy. Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.ontheissues.org/Cabinet/Hillary_Clinton_Foreign_Policy.htm
(5) Chomsky,N. (2008), Humanitarian Imperialism . Montly Review.

Thursday, 25 December 2008

De bom onder Pieter De Crem

In tijden van een regeringloos België, lijkt het mij een uitgelezen moment om een artikel te becommentariëren dat het Belgische standpunt ten aanzien van interventionisme beschrijft. Meer specifiek komt dit artikel uit ‘Knack’ van 10 december 2008 en gaat het om een interview met aftredend Minister van Landsverdediging Pieter De Crem (1).

De acties die De Crem tijdens zijn mandaat als minister van Landsverdediging verrichten, werden in de media niet steeds in een positief daglicht gesteld. Denkt u maar aan zijn vele woordenwisselingen met zijn voorganger Flahaut, zijn afslankingsplannen voor het Belgische leger en zijn recente optreden in een New Yorks café. In dit artikel peilt Knack voornamelijk naar het standpunt van De Crem over de deelname van de Belgische troepen aan interventies onder de vlag van de NAVO of VN. Het is algemeen geweten dat De Crem niet terugschrikt van een deelname aan een militaire tussenkomst. Met deze houding stoot De Crem niet enkel op politieke weerstand (zoals van Louis Michel die stelt dat militaire aanwezigheid in Congo geen vrede kan afdwingen aangezien er te veel strijdende partijen bij het conflict betrokken zijn) maar ook op weerstand van de publieke opinie die vaak gekant is tegen militaire operaties in het buitenland. Bovendien kampt ook de defensietop van België met een gebrek aan mankrachten in het Belgische leger. Wanneer De Crem dus spreekt over het deelnemen aan een interventie, kan dit dus enkel met een beperkt aantal troepen. Het sturen van militaire middelen (zoals F-16’s), hulp bij het inzamelen en verwerken van informatie en het opleiden van lokale soldaten nemen een groter deel van deze deelname voor hun rekening. Opnieuw kan in dit kader de stelling van Bricmont (2) aangehaald worden, die stelt dat het Westen voornamelijk intervenieert door gebieden te bombarderen aangezien het sturen van landtroepen niet binnen hun bereik ligt.
Momenteel zijn er Belgische troepen gestationeerd in vijf gebieden: Afghanistan, Libanon, Tsjaad, Kosovo en de Kust van de Hoorn van Afrika. Het meest actuele interventiedebat in België betreft overduidelijk de kwestie Congo. Zo stelt De Crem in dit artikel dat België dient deel te nemen aan een militaire interventie in het gebied rondom Goma aangezien zich daar een crisissituatie voordoet die de rechten van de bewoners beperkt. In dit artikel wordt desbetreffend gewezen op het gebrek aan drinkbaar water, onderwijstekort en afgesloten communicatie en transportwegen. De Crem wil met andere woorden deelnemen aan een interventie met humanitaire beweegredenen, de mensenrechten in de regio’s verzekeren.
Maar is dit ook effectief zo? Wil België door zijn militaire interventie in het buitenland, en zeker in zijn ex-kolonie Congo, niet haar economische en diplomatieke belangen in deze staten verzekeren? Of ligt de oorzaak van deze reactie van interveniëren zoals Bricmont stelt, in het zwakke standpunt van ideologisch links dat interventionisme als offensief tegen de rechtse beweging na de val van het communisme ziet?


Er kan algemeen gesteld worden dat het doel van een humanitaire militaire interventie het stoppen van geweld en het creëren van ruimte voor een politieke oplossing is. Maar leidt een militaire tussenkomst inderdaad steeds tot het bereiken van vrede? Vredesacties, een NGO die gekant is tegen het Belgische militaire interventionisme, stelt dat bij een militair ingrijpen het belang van gewapende groepen in een conflict toeneemt (3). Door een militaire interventie wordt België een partij in het conflict wat misschien wel leidt tot een militaire overwinning maar vaak ook tot polarisering van het conflict. Van enig vredesproces is hierdoor vaak geen sprake. Bovendien wijst Vredesacties ook op het belang van toestemming van alle partijen in een conflict, een element waar ook Jean Bricmont veel belang aan hecht, maar waar in het huidige interventionisme van België steeds minder rekening gehouden wordt. Tjaad en Afghanistan vormen volgens Vredesacties een duidelijke illustratie van zowel het negeren van toestemming als van polarisering van het conflict. De NGO stelt daarom dat wanneer men echt iets aan humanitaire noodsituaties wil doen, er resoluut gekozen zal moeten worden voor een fundamenteel ander veiligheidsbeleid.


Naar mijn mening levert de argumentatie van de NGO Vredesacties een belangrijke bijdrage aan de discussie op deze blog. Ik sluit me aan bij haar standpunt dat een staat, in dit geval België, te vaak vergeet dat zelfs wanneer zij spreekt van ‘humanitaire interventie’, ze in sommige gevallen meer kwaad doet dan goed, een standpunt dat ook Bricmont inneemt. Maar net zoals de titel van het interview met De Crem letterlijk stelt ‘Moeten we de mensen daar laten stikken?’ is niet interveniëren ook geen oplossing. Is een ander veiligheidsbeleid dan wel een stap vooruit? Waarschijnlijk wel, maar een antwoord op de vraag hoe dit nieuwe veiligheidsbeleid dan ingevuld dient te worden, kan ook Vredesacties niet formuleren. Mijns inziens zou diplomatiek overleg hierin een prominente rol moeten spelen, net zoals instemming van de betrokken partijen en de invulling de humanitaire factor in een interventie. Zoals ik reeds in mijn vorig artikel stelde moeten organisaties en staten alvorens te interveniëren zich bezinnen over de reeds aangerichte schade door het heersende conflict en de waarschijnlijke aangerichte schade wanneer ze intervenieert, en met dit in het achterhoofd elementen van hun defensiebeleid vernieuwen of aanvullen.


Referenties

(1) Martens P., Renard H. (2008), Moeten we de mensen daar laten stikken?, Knack, 38 (50), 22-26.
(2) Bricmont, J.(2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.
(3) Vredesacties (2008), Afghanistan of Tjaad¸’Humanitair imperialisme faalt’, MO*.

Friday, 19 December 2008

Interventiecapaciteiten van een internationale organisatie

Ik vond dit boeiende artikel van Abramowitz en Pickering in het Foreign Affairs nummer van oktober 2008 (1). Het sprak me onmiddellijk aan omdat het niet zo zeer het interventionisme in een bepaald conflict of land bespreekt, maar wel het interveniëren van een bepaalde organisatie.

Het artikel van Abramowitz en Pickering vangt aan met te stellen dat diplomatieke acties ontoereikend zijn om ernstige conflicten op te lossen. Het moet duidelijk gesteld worden dat Abramowitz en Pickering de invloed van diplomatie zeker niet onderschatten, maar ze argumenteren dat acties als economische sancties en het opheffen van visa-paspoorten eerder de lokale bevolking treffen, dan dat het de politieke leiders onder druk zetten. Militair interveniëren is in hun ogen aldus de enige efficiënte mogelijkheid wanneer derde staten, of internationale organisaties, een rol willen spelen in een conflict.


In dit artikel trachten de auteurs te achterhalen waarom sommige interventies geen succes zijn. Meer specifiek bespreken zij de interventiecapaciteiten van de grootste internationale gouvernementele organisatie de Verenigde Naties (VN). In hun betoog argumenteren zij dat de VN in het verleden meermaals optrad wanneer botsingen tussen één of meerdere actoren, maar dit optreden was niet steeds succesvol. De conflicten in Sierra Leone en Bosnië zijn duidelijke illustraties van de tekortkomingen van de interventiecapaciteiten van de VN. Wanneer de organisatie in de heersende crisissen van de huidige wereldorde (zoals in Somalië en Darfur) beter wil doen, zal de VN enkele belangrijke nieuwe mechanismen moeten invoeren en hanteren, aldus Abramowitz en Pickering. Zo stellen ze dat de VN enkele interne hervormingen zal moeten doorvoeren, waardoor het aantal vetostemmingen in de Veiligheidsraad beperkt wordt en de peacekeeping-capaciteiten toenemen. De VN moet bovendien steeds met zekerheid kunnen beschikken over de nodige middelen en troepen, alvorens een interventie te starten.


Verder in hun artikel duiden beide auteurs op een feit dat in het kader van de discussie van duidelijke belang is, met name het gebrek aan betrouwbaarheid van een interventie. Zo stellen ze dat de VN kampt met een probleem van tekort aan troepen die willen deelnemen aan militaire interventies. Ook de bekende antropoloog Paul Richards stelt doorheen zijn betoog betreffende wat oorlog inhoudt, dat zowel financiële en materiële middelen als mankrachten van prominent belang zijn (2.). De VN-lidstaten zijn steeds minder bereid om ‘hun zonen’ naar het front te sturen. Meer bepaald de rijke lidstaten (met andere woorden de permanente leden van de Veiligheidsraad) prefereren het doneren van grote geldsommen boven het leveren van troepen die onder de VN-vlag willen vechten. De organisatie wordt hierdoor relatief goed in staat gesteld om hun militair arsenaal uit te breiden, maar het sturen van landtroepen ligt vaak niet in hun bereik. Wanneer de lidstaten meer bereidwillig zouden zijn om troepen te sturen én in middelen te sponsoren, zo stellen Abramowitz en Pickering, zouden de VN-interventies sterk aan geloofwaardigheid en belang winnen. In het verleden werden nota bene verschillende pogingen ondernomen om een permanent VN-leger samen te stellen dat op korte termijn kan reageren op crisissen, maar telkens stootten deze pogingen op verzet van de leden en NGO’s.


Wat in mijn ogen opzienbarend is aan dit artikel, is het feit dat de auteurs militaire interventie als vanzelfsprekend ervaren, zonder rekening te houden met de standpunten van de betrokken actoren van het land waar het conflict heerst. De houding van Abramowitz en Pickering is volledig in strijd met het standpunt van Jean Bricmont die zich in zijn boek ‘impérialisme humanitaire’ (3.) als duidelijke tegenstander profileert van Westers interventionisme met humanitaire pleidooien. Hij stelt namelijk dat de inmenging van derden in naam van het verspreiden van mensenrechten meer kwaad doet dan goed aangezien de spanningen tussen de vechtende partijen door hun tussenkomst vaak meer toenemen dan afnemen.


Naar mijn mening nemen zowel Bricmont als Abramowitz en Pickering een extreme houding aan. Ze pleiten namelijk steeds voor altijd interveniëren of nooit interveniëren. Mijns inziens is de keuze tussen deze twee onmogelijk en moet elk conflict gezien worden in haar historische, geopolitieke en actuele context. Wanneer Bricmont argumenteert dat toestemming van de betrokken regering noodzakelijk is, ziet hij dan niet over het hoofd dat deze regering in sommige gevallen de oorzaak kan zijn van het heersende conflict? Maar waar moet een organisatie of staat dan wel op toestemming vragen wanneer ze op het punt staat om een interventie te starten? Verschillende standpunten kunnen desbetreffend ingenomen worden, gaande van instemming van de grootmachten in de huidige wereldorde tot instemming van andere organisaties en bondgenoten.
Bricmont spreekt zich ook uit over het struikelblok van de VN met betrekking tot gebrek aan
troepen. Hij ziet, net zoals Abramowitz en Pickering, een oorzakelijk verband tussen het weigeren van lidstaten om troepen te leveren en het gebruik van zware militaire middelen.
Vanzelfsprekend beschikken de arme derde wereldlanden zeer zelden over een militair arsenaal dat hen in staat stelt om weerstand te bieden aan interventies die voornamelijk bestaan uit luchtbombardementen. Maar het grootste nadeel is naar mijn mening het gevolg dat de slachtoffers vaak burgers zijn en niet de beoogde kwaadaardige doelwitten. Wanneer staten of organisaties beslissen om te interveniëren in een conflict lijkt het mij ‘humanitair’ om alvorens acties te ondernemen, te bezinnen over de gevolgen voor de lokale bevolking die hun acties teweegbrengen. Wanneer men intervenieert onder de ‘humanitaire vlag’, moeten de deelnemende actoren dan niet eerst nadenken over de condities waarin de bewoners van het land zich gaan bevinden nà hun interventie, dan enkel te denken in hun ideologisch kader van verspreiding van democratie? Want welke democratische waarden blijven overeind staan als een land volledig in puin ligt en in chaos verkeert. In mijn ogen is het nemen van een beslissing tot interveniëren een eerste punt van discussie, maar ook het interveniëren zelf én voornamelijk de capaciteiten en effectiviteit van peacebuilding en peacekeeping zijn van primair belang. De interventie-actoren dienen mijn inziens vooraf duidelijkheid te creëren over de waarschijnlijke impact en gevolgen van hun interventie, al zal dit de mogelijkheid tot interveniëren op korte termijn eerder beperken. Daarom lijkt het mij, net zoals eerder in deze post aangehaald werd, in bepaalde mate opportuun om een VN-leger op te richten dat op korte termijn kan interveniëren zonder dat hier veel administratieve stadia doorlopen moeten worden. Zo ontstaan er mogelijk meer kansen om een grotere interventie beter te plannen en meer aandacht te besteden aan humanitaire aspecten van een interventie.


Referenties
(1) Abramowitz, M., Pickering T. (2008), Making Intervention Work: the UN’s Ability to Act, Foreign Affairs, 87 (40), 100-110.
(2) Richars, P. (2005), ‘No Peace, No War, an Antropology of Contemporary Armed Conflicts’, Oxford: James Curry Ltd.
(3) Bricmont, J. (2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.