Showing posts with label wetenschappelijk. Show all posts
Showing posts with label wetenschappelijk. Show all posts

Sunday, 28 December 2008

Het mensenrechtendiscours op de terugkeer?

In deze bijdrage vergelijk ik de theorieën van David Rieff met die van Jean Bricmont. Waar de eerste een liberaal imperialisme als enige uitweg ziet, is deze nieuwe vorm van imperialisme voor Bricmont verwerpelijk. Het moet vermeld dat het artikel van Rieff, waarvan ik gebruik maak, dateert van voor 9/11. Deze gebeurtenissen kunnen zijn denken ofwel veranderd hebben, ofwel versterkt.


In zijn artikel ‘A new age of liberal imperialism’ schrijft David Rieff over de toename van militaire interventies ondernomen op grond van mensenrechtenschendingen in zogenaamde ‘failed states’. Hij erkent dat deze interventies problematisch zijn, meer nog, hij stelt dat bijna 100% van de buitenlandse interventies gefaald hebben. De oorzaak daarvan ziet hij in het feit dat de morele ambities groter bleken te zijn dan de politieke, militaire en cognitieve aspecten. En toch vindt hij dat de verdediging van mensenrechten een gerechtvaardigde basis vormt voor interventie. Bij schendingen is het een ‘morele verplichting’ om te interveniëren. Bij de tussenkomst destijds in Kosovo ziet hij dus geen graten in de motivatie van de operatie (‘undertaken more in the name of human rights and moral obligation than out of any traditional conception of national interest’), maar wel in de timing (te laat) en de onbedachtzaamheid waarmee men te werk gegaan is. De operatie was noch goed voorbereid noch duidelijk gedefinieerd.


Een cruciaal verschil met de ideeën van Jean Bricmont is dat Rieff ervan uitgaat dat die morele motivaties überhaupt bestaan. Hij stelt zich hierbij geen of weinig vragen (hij maakt vermelding van ‘extreme cases’ waarbij naast morele belangen ook geopolitieke of economische belangen spelen). De toon van Bricmont is heel wat minder omfloerst. Hij stelt met klem dat de retoriek van de mensenrechten (zoals het ‘bevrijden’ van een volk, het installeren van een democratie) het vehikel is voor de rechtvaardiging van imperialistische bemoeienissen uit het Westen. Deze bemoeinissen zijn allerminst altruïstisch van aard, maar enkel en alleen bedoeld om de eigen machtspositie te bestendigen. Omdat mensenrechten daardoor - in Bricmonts ogen - het paard van Troje zijn geworden, moet volgens hem de internationale wetgeving als basisbeginsel overheersen. Deze wetgeving verbiedt eenzijdige inmenging; het is verboden troepen te sturen naar een land dat daarvoor geen toestemming gaf.


Er zijn tal van elementen om te argumenteren dat het mensenrechtendiscours vals en hypocriet is. Het getuigt onder andere van arrogantie: wie zijn ‘wij’ om de prediker van mensenrechten te zijn? Historisch gezien hebben revoluties, die uiteraard gepaard gaan met gruwelijkheden, ook onze maatschappij vooruit geholpen. Bovendien is het bewezen dat de VS zelf de mensenrechten schendt (uitvoeren van de doodstraf, folteringen, hun basis op Guantanamo) en zelfs mocht dit niet zo zijn, dan doet een militaire interventie dat uit nature. Er wordt evenmin consequent omgesprongen met het hele mensenrechtendiscours, wat duidt op een opportunistisch gebruik. In China zijn er immers ook volop mensenrechtenschendingen aan de gang, maar daar zie ik het Westen niet zo snel een militaire interventie op poten zetten. Zijn mensenrechten überhaupt transponeerbaar? Zoals zo vaak bij binaire opposities zoals ‘wij-zij’, ‘democratisch-niet democratisch’, …wordt er schaamteloos voorbij gegaan aan de realiteit. Als zo vaak worden de specifieke contextfactoren verwaarloosd.


Naast de vraag 'tussenkomen of niet?’, is er de vraag wie of welke instantie zou moeten tussenkomen. Volgens Rieff kan de VN onmogelijk die rol vervullen, aangezien het een dubbele functie heeft, nl. zowel hulp bieden aan mensen in nood, als orde opleggen en instituties (her)opbouwen. Waar de eerste taak gezien wordt als humanitair, wordt de tweede eerder geïnterpreteerd als koloniaal optreden. Aangezien de derde wereldlanden volgens hem noch de middelen, noch de ideologie hebben om tussen te komen, concludeert hij dat enkel het Westen deze taak op zich kan nemen en dat meer bepaald enkel de VS daartoe in staat is. (De capaciteit van de VS valt echter te betwijfelen, zeker wat wederopbouw betreft). Hij erkent dat dit de hegemonie van de VS zal vergroten, maar verdedigt zich door te stellen dat er geen ander alternatief is. Een zwak argument. Kort gezegd zijn er voor Rieff maar twee wegen begaanbaar: ofwel interventies door het Westen, ofwel niets doen en daardoor mensen ter dood veroordelen. Op dit punt gaat hij wel erg kort door de bocht. Zijn artikel is relatief genuanceerd opgebouwd, maar de conclusies die hij uiteindelijk trekt slaan alles. Er is geen middenweg mogelijk, letterlijk zegt hij dat de keuze er een is tussen ofwel imperialisme ofwel barbarisme. Daarbij moeten we aannemen dat liberaal imperialisme de beste weg is.


Zulke uitspraken zijn uiteraard koren op de molen van Bricmont. Ten eerste hekelt Bricmont de retoriek van de schuldgevoelens om de interventie-ideologie te promotoen: het is niet omdat je tegen een interventie gekant bent, dat je mensenrechtenschendingen steunt. Bovendien zijn interventies vaak contraproductief en lokken ze net meer geweld uit. De VS schermt graag met cijfers van dodentallen die vaak niet correct zijn, uiteraard om te bewijzen dat de situatie onder hun interventie verbeterd is.


Ten tweede is het Oriëntalistisch getinte discours ‘ofwel imperialisme ofwel barbarisme’ kortzichtig. Zoals eerder vermeld gaan binaire opposities voorbij aan de grijze zone die de realiteit is.


Ten derde zijn er wel degelijk alternatieven voor een militaire interventie om humanitaire daden te stellen, zoals focus op economische Noord-Zuidrelaties, ontwikkeling, gezondheidszorg. In plaats van inmenging is er de samenwerking. Respect voor de soevereiniteit van staten kan dus perfect samengaan met het verbeteren van mensenrechten.


Ten vierde ziet Bricmont de VS niet als degene die de taak op zich zou moeten nemen. Rieff erkent dat de hegemonie zou versterkt worden, maar dat de wereld er meer mee wint dat mee verliest. Dit is een heel kortzichtige redenering, het is immers al vaak bewezen dat de daden van de VS als een boemerang in hun gezicht terugkomen en dat ze de oorzaak zijn geweest van veel conflicten die wij vandaag kennen.


Tenslotte moet volgens Bricmont een wettige internationale democratie bekomen worden met behulp van de VN, die erop moet toezien dat het internationaal recht gerespecteerd wordt. Hij ziet de terugkeer naar het internationaal recht als enige antwoord op de Amerikaanse wereldheerschappij. Ik twijfel aan het feit of dit de VS zou tegenhouden. Er zijn genoeg voorbeelden waarbij de VS internationale regels aan de laars lapt. Bricmont wil dus terug naar af, naar een tijd waarin men niet sprak over mensenrechten als basis voor interventie. Helaas is de realiteit dat de ontwikkelingen in tegenovergestelde richtingen evolueren. Daarom is het nodig voor Bricmont om zijn mening bij te stellen. Een radicaal, doch begrijpelijk standpunt van non-interventie is niet meer houdbaar. Bovendien is de uitholling van de macht van de VN (zeker tegenover de macht van de VS) een feit en is het utopisch om te denken dat daar snel verandering in zal komen.

_____________________________________________________

bronnen:

- David Rieff, 'A new age of liberal imperialism?', World Policy Journal, summer '99, vol. 16 Issue 2, http://www.worldpolicy.org/journal/articles/rieff2.html (geraadpleegd op 26/12/2008)

- Jean Bricmont, 'Humanitaire interventies, mensenrechten als excuus voor oorlog', EPO Berchem, 2008.



Thursday, 25 December 2008

Een terugkeer naar het internationale recht zonder gevaar voor imperialisme?

Eén van de sterkere argumenten (1) die Jean Bricmont aanhaalt tegen humanitaire interventies is de verdediging van het internationale recht (2). Een basisprincipe daarin bestaat uit het feit dat het elk land verboden is om troepen te sturen naar een ander land zonder de toestemming van de regering van dat land, het non-interventieprincipe dus. Dit is om te voorkomen dat één absolute soeverein (de VS) met geweld de vrede zou opleggen. Enkel door respect voor het internationale recht kan dus een wettige democratische (internationale) orde bereikt worden met de hulp van de VN.
Jean Cohen grijpt in haar artikel “Sovereign Equality vs Imperial Right: The Battle over the “New World Order”” naar hetzelfde uitgangspunt (3). Zij ontwaart een toenemende uitholling van het internationaal-rechtelijke principe van “soevereine gelijkheid” van staten en dit door de groeiende invloed van het “kosmopolitisch liberalisme”. Volgens haar bestaat er wereldwijd een strijd om de internationale orde tussen “soevereinisten” en “kosmopolieten”. Deze laatsten zouden een fundamentele herziening van het internationale recht (en politiek) ambiëren. Zij beogen een uitbreiding en individualisering van het internationale strafrecht te bewerkstelligen en zijn tevens voorstanders van humanitaire en democratische interventies. Deze groep zou een biopolitieke kijk op de wereldorde bezitten waarbij een mensenrechten-benadering het “staatscentrisme” en het principe van “soevereine gelijkheid” wegschuift en vervangt door een rechtstreekse focus op het individu als hét subject van kosmopolitisch recht en rechtvaardigheid.
Deze poging tot het construeren van een “nieuwe wereldorde” zou volgens Cohen een gevaarlijke onderneming zijn. Het principe van “soevereine gelijkheid” zoals aangenomen in het internationale recht zou hierin volledig ondermijnd worden en leiden tot een intolerante en interventionistische versie van liberaal anti-pluralisme. Deze poging leidt tevens tot het herintroduceren van hiërarchie in het internationale systeem. Zo komen we bij Cohen’s kernargument tegen de “nieuwe kosmopolitisch-liberale wereldorde”: m.n. het uithollen van het principe van “soevereine gelijkheid” maakt die wereldorde medeplichtig aan imperiale projecten van machtige staten die geïnteresseerd zijn in het verzwakken van de principes die het gebruik van geweld belemmeren en die hen geen dekmantel noch politieke legitimiteit aanreiken indien ze het internationale recht zouden schenden.
Dit “kosmopolitisch liberalisme” benadrukt immers het respect voor de “fundamentele mensenrechten” van personen en vormt dit tot het enige criterium om staten als “legitiem” en “soeverein” te bestempelen. Rechtvaardigheid t.a.v. personen wordt dus de externe morele standaard voor legitimiteit. Willen staten aanzien worden als “autonoom” en “soeverein” en genieten van het “non-interventieprincipe”, dan moeten ze tegemoetkomen aan die externe morele standaard.
De VN wordt door die groep afgedaan als een “statische” organisatie waarvan de legitimiteit in vraag moet gesteld worden. Hierin staan ze op één lijn met ’s werelds enig overgebleven grootmacht, de VS, die tevens gebruik maken van het kosmopolitische discours in hun pogingen om internationale institutionele hervormingen te marginaliseren en het internationale recht te ondermijnen. Wat we meemaken is dus niet louter een poging vanwege een grootmacht om het internationale recht weg te vegen maar om dat recht te heroriënteren in een imperiale richting. Het principe van “soevereine gelijkheid” wordt ondermijnd door gebruik te maken van een moreel humanitair discours ten einde landen unilateraal te kunnen bestempelen als “rogue states” om hen zo onder de hoede van het internationale recht weg te halen. Dit zou, aldus Cohen, een project zijn om een hedendaagse versie van imperiaal recht te creëren. Eén van de strategieën is het herintroduceren van hiërarchie in het internationale systeem doorheen het plakken van labels als “rogue”, “terrorist” en “axis of evil” waardoor een staat zijn soevereiniteit wordt ontnomen. Deze staten worden de nieuwe periferie van het imperiale recht en de potentiële doelwitten van “preventive self-defense” of “humanitaire interventies”. Daarbij moet gezegd worden dat een machtige hegemoon met imperiale ambities niet per se unilateraal hoeft op te treden. Deze kan ook de Veiligheidsraad instrumentaliseren waardoor de imperiale macht in legitimiteit kan baden terwijl het internationale rechtssysteem op subtiele wijze wordt getransformeerd.

In tegenstelling tot Bricmont opteert Cohen echter niet voor een ultieme terugkeer naar het non-interventieprincipe waarbij de verdediging van de mensenrechten op internationaal vlak uit de boot valt. Zij biedt eerder een alternatieve benadering aan die opteert voor de noodzaak aan institutionele en legale hervormingen, waarin zowel staatssoevereiniteit als mensenrechten naast elkaar kunnen bestaan. Dit noemt ze het “dualistisch model”. Het non-interventieprincipe blijft centraal staan maar in geval van ernstige mensenrechtenschendingen kan daar een uitzondering op gelden. De VN staat hierin als internationaal legitiem orgaan centraal. Sinds 1945 bestaat er immers binnen het VN-Handvest een institutionalisering van beide principes. De interrelatie tussen de principes van “soevereiniteit” en “kosmopolitische mensenrechten”dient volgens de auteur wel van tijd tot tijd aangepast te worden. Dit om de spanning tussen beide principes binnen dit dualistische model tegen te gaan. Zo kan er volgens Cohen een “dualistische wereldorde” ontstaan als alternatief voor een imperiale wereldorde. Hierin zijn “humanitaire interventies” enkel toegestaan onder de hoede van de Veiligheidsraad en moeten alle conflicten geanalyseerd worden in hun unieke context.

Dit dualistisch model van Cohen roept een aantal vragen op. Het is duidelijk dat de auteur de problematiek vanuit een internationaal-rechtelijke invalshoek bestudeert. Het probleem hierbij is dat ze, hoewel ze aanvankelijk zeer concreet het gevaar van empire-building detecteert, de neiging heeft te vervallen in juridisch idealisme waarbij ze de huidige internationale krachtsverhoudingen uit het oog verliest. De terugkeer naar de grondbepalingen van het VN-Charter waarin “humanitaire interventies” gelden als een uitzondering op het algemene principe van non-interventie is een wens waar velen achter staan. De vraag is echter “hoe?”. Hoe gaat men dit kunnen opleggen gezien de aanwezigheid van een grootmacht met duidelijk imperiale neigingen. Hebben de VS niet scrupuleloos de VN omzeild in 2003? Het feit dat ze nu wat bedaard zijn betekent geen garantie dat ze hun imperiale jacht rond de wereld niet opnieuw zullen hervatten. Dan is er nog de kwestie van een institutionele hervorming van de VN. Hier geldt wederom de vraag hoe men deze kan bewerkstelligen? De VS hebben immers alle macht om die hervormingen te blokkeren. Kunnen we uiteindelijk niet anders dan gewoon Bricmont's pessimistische (niettemin realistische) visie aannemen?
Referenties:
(1) Het gaat hier niet om een beoordeling van mijnentwege. Bricmont beschouwt dit zelf als een sterk argument.
(2) BRICMONT, J. (2008). Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog. Berchem: EPO.
(3) COHEN, J. L. (2006). Sovereign Equality vs. Imperial Right: The Battle over the "New World Order". Constellations Volume, 13 (4), 485-502

Wednesday, 24 December 2008

Het Risico van een Humanitaire Norm voor Internationale Interventie

Bespreking 'The Moral Hazard of Humanitarian Intervention: Lessons from the Balkans' Alan J. Kuperman in International Studies Quarterly nr.52, 2008, pp. 49–80.


De meest gangbare kritiek op het concept van ‘humanitaire interventie’ is de apologetische rol die de mensenrechtendoctrine speelt in de brutale machtspolitiek van het Witte Huis, en bij uitbreiding het ‘hegemonische Westen’. Indien we deze problematiek buiten beschouwing laten, en ervan uitgaan dat er zoiets bestaat als een ‘oprechtte’ en ‘gegronde’ humanitaire interventie, dan nog creëert deze hypothetische rechtvaardige wereldorde enkele acute problemen.

Kuperman beschrijft in dit artikel hoe een ‘moreel risico’ ontstaat door het verschuiven van de normen voor interventie. Dit risico komt neer op het bewust uitlokken van genocidale represailles en massaslachtingen door rebellenbewegingen, die daardoor kunnen rekenen op externe steun en profiteren van een mogelijke humanitaire interventie. Omdat de internationale gemeenschap de ‘Responsibility to Protect’ (R2P) op zich neemt – hoewel vandaag niet meer dan een voornemen - zal dit volgens Kuperman het ontstaan van conflicten stimuleren. Hij ontwaart een dynamiek waarbij afscheidingsbewegingen via gewelddadige aanvallen op bestaande staatsstructuren bewust grootschalige slachtingen van een onschuldige bevolking provoceren. Pas na het hoogtepunt van dit interstatelijke geweld komt er externe inmenging, in het voordeel van de opstandelingen die de dynamiek van geweld in werking stelden. Dit schept dan weer een precedent voor andere opstandige elementen om over te gaan tot gewelddadige actie.

Bovendien, zo stelt Kuperman, is de dreiging uitgaande van internationaal ingrijpen niet adequaat gebleken om repressieve en genocidale acties van overheden te voorkomen. Om zijn these kracht bij te zetten, en duidelijk te maken dat de ‘moral hazard’ geen hypothetisch gevaar is, worden twee historische voorbeelden aangereikt: de Bosnische secessie van Joegoslavië vanaf 1992, en de gewapend onafhankelijkheidsstrijd in Kosovo vanaf 1998. In beidde gevallen rekenden de rebellen op een optreden van de internationale gemeenschap om hun te helpen in hun strijd. In het geval van de Bosnische afscheiding hadden de rebellen zich misrekend in die zin dat, alhoewel de VS en de EU de afscheiding steunden, ze waarschijnlijk directe militaire steun hadden verwacht. Daardoor verwierpen ze de lopende onderhandelingen en provoceerden, slecht voorbereid en slecht bewapend, een oorlog met Joegoslavië. Na bijna vier jaar bloedige strijd wordt via bemiddeling van de VS en de EU een vredesakkoord bereikt met voorwaarden voor een onafhankelijk Bosnië die gelijkaardig waren aan de oorspronkelijke onderhandelingen.

In 1998 ontketend het Kosovo Liberation Army (KLA) een gewapende onafhankelijkheidsstrijd. Ook hierop volgen, zoals verwacht, represailles vanuit Belgrado. Maar anders dan bij de Bosnische strijd werd nu wel ingegrepen door de het westen, gestuwd door de Clinton administratie. Op een moment de het Joegoslavische leger de rebellen van het KLA zo goed als overwonnen had, gaf de ‘humanitaire’ interventie van de NATO een nieuwe gewelddadige wending aan het conflict. De NATO ontpopte zich in het conflict als de ‘Royal Air Force of the KLA’ hoewel dit officieel ontkent werd. Kuperman argumenteert dat het conflict snel en met weinig burgerslachtoffers had kunnen aflopen, maar dat door het NATO ingrijpen het geweld snel escaleerde. De humanitaire ingreep had als gevolg een enorme toename van het aantal onschuldige doden, de overwinning van de extremistische KLA, en recent de onafhankelijkheid van Kosovo.

Kuperman presenteert hier een interessante these, en onderbouwt hem met enkele concrete voorbeelden. Toch kunnen we ons afvragen in welke mate de les die hij trekt uit de versplintering van Joegoslavië toepasbaar is op andere conflicten. De zogenaamde ‘morele standaard’ is vandaag dermate zwak dat weinig rebellenleiders volgens deze logica zouden inspelen op de internationale gemeenschap. Het actief uitlokken van genocidale repressies om zo externe interventies te provoceren is niettemin een plausibele perversie van het R2P principe. Indien er een toekomst is voor de mensenrechtendoctrine dan is neutraliteit hierin cruciaal. Eerder werd al uitvoerig aangetoond dat de humanitaire(altruïstische) intentie van een interventie meestal ondergeschikt is aan (geo-)politieke motieven. Maar indien de aanleiding van een noodsituatie wortelt in het bewust creëren van slachtoffergroepen vanuit politieke hoek, dan lijkt een neutraal ingrijpen onbegonnen werk.

Wat de notie van ‘Moral Hazard’ duidelijk maakt is de nood aan een uitgebreide expertise van de conflictsituatie, een begrip van de bestaande politieke/sociale/etnische/religieuze situatie vooraleer hierin wordt ingegrepen. In bijna alle interventies die we de laatste decennia zagen plaatsvinden was dergelijke kennis en inzicht onbestaande. Weer kan Irak hier als het meest extreme voorbeeld gelden; zonder enige voorkennis ,of zelfs nog maar een idee over wat na de militaire fase moest gebeuren, werd hier op uitzonderlijk klungelige manier een staat ontmanteld en ‘heropgebouwd’. In tegenstelling tot dit soort blinde en eenzijdige interventies zou de internationale gemeenschap moeten ijveren voor een ‘contextgevoelig’ ingrijpen. Dit soort aanpak, waarbij respect voor bestaande maatschappelijke structuren en adequate communicatie met, en inspraak van, de bevolking centraal staat, zou het tegengestelde moeten zijn van het zogenaamde Impérialisme Humanitaire.

Een laatste bedenking bij Kupermans ‘Moral Hazard’ these is dat deze recht tegenover Bricmonts uitgangspunt van ‘the Great Western Delusion’ staat. Die laatste argumenteert dat er nergens vraag is naar westerse interventie, terwijl Kuperman zo ver gaat te stellen dat er gerekend en ingespeeld wordt op het vooruitzicht van externe inmenging. Hoe de bevolking binnen een conflictzone zich positioneert tegenover buitenlands ingrijpen is uiteraard zeer uiteenlopend. Er rusten wel degelijk verwachtingen op de internationale gemeenschap, deze kunnen niet zomaar afgedaan worden als een zelfbevredigende westerse illusie. Maar of minderheidsgroepen massaal suïcidale opstanden zullen uitvoeren om zo humanitaire steun te verkrijgen, is twijfelachtig. Hoe dan ook blijft het een uiterst delicaat vraagstuk naar waar en wanneer een militaire humanitaire interventie geoorloofd zou zijn. Een multilaterale, contextgevoelige en ‘gevraagde’ interventie zou het unilaterale, ‘imperiale’ interventionisme moeten vervangen. Ook dit soort internationaal ingrijpen zal nooit volledig politiek neutraal kunnen zijn, maar moeten we hierin niet pragmatisch zijn wanneer geweld escaleert en massamoord in het vooruitzicht ligt?

Friday, 19 December 2008

Interventiecapaciteiten van een internationale organisatie

Ik vond dit boeiende artikel van Abramowitz en Pickering in het Foreign Affairs nummer van oktober 2008 (1). Het sprak me onmiddellijk aan omdat het niet zo zeer het interventionisme in een bepaald conflict of land bespreekt, maar wel het interveniëren van een bepaalde organisatie.

Het artikel van Abramowitz en Pickering vangt aan met te stellen dat diplomatieke acties ontoereikend zijn om ernstige conflicten op te lossen. Het moet duidelijk gesteld worden dat Abramowitz en Pickering de invloed van diplomatie zeker niet onderschatten, maar ze argumenteren dat acties als economische sancties en het opheffen van visa-paspoorten eerder de lokale bevolking treffen, dan dat het de politieke leiders onder druk zetten. Militair interveniëren is in hun ogen aldus de enige efficiënte mogelijkheid wanneer derde staten, of internationale organisaties, een rol willen spelen in een conflict.


In dit artikel trachten de auteurs te achterhalen waarom sommige interventies geen succes zijn. Meer specifiek bespreken zij de interventiecapaciteiten van de grootste internationale gouvernementele organisatie de Verenigde Naties (VN). In hun betoog argumenteren zij dat de VN in het verleden meermaals optrad wanneer botsingen tussen één of meerdere actoren, maar dit optreden was niet steeds succesvol. De conflicten in Sierra Leone en Bosnië zijn duidelijke illustraties van de tekortkomingen van de interventiecapaciteiten van de VN. Wanneer de organisatie in de heersende crisissen van de huidige wereldorde (zoals in Somalië en Darfur) beter wil doen, zal de VN enkele belangrijke nieuwe mechanismen moeten invoeren en hanteren, aldus Abramowitz en Pickering. Zo stellen ze dat de VN enkele interne hervormingen zal moeten doorvoeren, waardoor het aantal vetostemmingen in de Veiligheidsraad beperkt wordt en de peacekeeping-capaciteiten toenemen. De VN moet bovendien steeds met zekerheid kunnen beschikken over de nodige middelen en troepen, alvorens een interventie te starten.


Verder in hun artikel duiden beide auteurs op een feit dat in het kader van de discussie van duidelijke belang is, met name het gebrek aan betrouwbaarheid van een interventie. Zo stellen ze dat de VN kampt met een probleem van tekort aan troepen die willen deelnemen aan militaire interventies. Ook de bekende antropoloog Paul Richards stelt doorheen zijn betoog betreffende wat oorlog inhoudt, dat zowel financiële en materiële middelen als mankrachten van prominent belang zijn (2.). De VN-lidstaten zijn steeds minder bereid om ‘hun zonen’ naar het front te sturen. Meer bepaald de rijke lidstaten (met andere woorden de permanente leden van de Veiligheidsraad) prefereren het doneren van grote geldsommen boven het leveren van troepen die onder de VN-vlag willen vechten. De organisatie wordt hierdoor relatief goed in staat gesteld om hun militair arsenaal uit te breiden, maar het sturen van landtroepen ligt vaak niet in hun bereik. Wanneer de lidstaten meer bereidwillig zouden zijn om troepen te sturen én in middelen te sponsoren, zo stellen Abramowitz en Pickering, zouden de VN-interventies sterk aan geloofwaardigheid en belang winnen. In het verleden werden nota bene verschillende pogingen ondernomen om een permanent VN-leger samen te stellen dat op korte termijn kan reageren op crisissen, maar telkens stootten deze pogingen op verzet van de leden en NGO’s.


Wat in mijn ogen opzienbarend is aan dit artikel, is het feit dat de auteurs militaire interventie als vanzelfsprekend ervaren, zonder rekening te houden met de standpunten van de betrokken actoren van het land waar het conflict heerst. De houding van Abramowitz en Pickering is volledig in strijd met het standpunt van Jean Bricmont die zich in zijn boek ‘impérialisme humanitaire’ (3.) als duidelijke tegenstander profileert van Westers interventionisme met humanitaire pleidooien. Hij stelt namelijk dat de inmenging van derden in naam van het verspreiden van mensenrechten meer kwaad doet dan goed aangezien de spanningen tussen de vechtende partijen door hun tussenkomst vaak meer toenemen dan afnemen.


Naar mijn mening nemen zowel Bricmont als Abramowitz en Pickering een extreme houding aan. Ze pleiten namelijk steeds voor altijd interveniëren of nooit interveniëren. Mijns inziens is de keuze tussen deze twee onmogelijk en moet elk conflict gezien worden in haar historische, geopolitieke en actuele context. Wanneer Bricmont argumenteert dat toestemming van de betrokken regering noodzakelijk is, ziet hij dan niet over het hoofd dat deze regering in sommige gevallen de oorzaak kan zijn van het heersende conflict? Maar waar moet een organisatie of staat dan wel op toestemming vragen wanneer ze op het punt staat om een interventie te starten? Verschillende standpunten kunnen desbetreffend ingenomen worden, gaande van instemming van de grootmachten in de huidige wereldorde tot instemming van andere organisaties en bondgenoten.
Bricmont spreekt zich ook uit over het struikelblok van de VN met betrekking tot gebrek aan
troepen. Hij ziet, net zoals Abramowitz en Pickering, een oorzakelijk verband tussen het weigeren van lidstaten om troepen te leveren en het gebruik van zware militaire middelen.
Vanzelfsprekend beschikken de arme derde wereldlanden zeer zelden over een militair arsenaal dat hen in staat stelt om weerstand te bieden aan interventies die voornamelijk bestaan uit luchtbombardementen. Maar het grootste nadeel is naar mijn mening het gevolg dat de slachtoffers vaak burgers zijn en niet de beoogde kwaadaardige doelwitten. Wanneer staten of organisaties beslissen om te interveniëren in een conflict lijkt het mij ‘humanitair’ om alvorens acties te ondernemen, te bezinnen over de gevolgen voor de lokale bevolking die hun acties teweegbrengen. Wanneer men intervenieert onder de ‘humanitaire vlag’, moeten de deelnemende actoren dan niet eerst nadenken over de condities waarin de bewoners van het land zich gaan bevinden nà hun interventie, dan enkel te denken in hun ideologisch kader van verspreiding van democratie? Want welke democratische waarden blijven overeind staan als een land volledig in puin ligt en in chaos verkeert. In mijn ogen is het nemen van een beslissing tot interveniëren een eerste punt van discussie, maar ook het interveniëren zelf én voornamelijk de capaciteiten en effectiviteit van peacebuilding en peacekeeping zijn van primair belang. De interventie-actoren dienen mijn inziens vooraf duidelijkheid te creëren over de waarschijnlijke impact en gevolgen van hun interventie, al zal dit de mogelijkheid tot interveniëren op korte termijn eerder beperken. Daarom lijkt het mij, net zoals eerder in deze post aangehaald werd, in bepaalde mate opportuun om een VN-leger op te richten dat op korte termijn kan interveniëren zonder dat hier veel administratieve stadia doorlopen moeten worden. Zo ontstaan er mogelijk meer kansen om een grotere interventie beter te plannen en meer aandacht te besteden aan humanitaire aspecten van een interventie.


Referenties
(1) Abramowitz, M., Pickering T. (2008), Making Intervention Work: the UN’s Ability to Act, Foreign Affairs, 87 (40), 100-110.
(2) Richars, P. (2005), ‘No Peace, No War, an Antropology of Contemporary Armed Conflicts’, Oxford: James Curry Ltd.
(3) Bricmont, J. (2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.

Interventies: een politiek-filosofisch kader: Kant en Paine


In het artikel dat Walker (Walker, 2008)1 publiceerde in het tijdschrift ‘International studies quarterly’, wordt een poging gedaan een beeld te schetsen van het verschil tussen het evolutionaire liberalisme van Kant en het revolutionaire liberalisme van Paine en de visie van beiden op gewapende interventies.

Zonder beide visies en theoretische kaders in extenso weer te geven, worden hier de voornaamste steunpunten en gedachtengangen van beide auteurs weergegeven.

Zowel Paine als Kant was er van overtuigd dat een constitutionele republiek, gebaseerd op individuele rechten, verkozen vertegenwoordiging, de ‘Rule of Law’ en scheiding der machten, de ideale staatsvorm was. Een staat als deze wordt tegenwoordig democratie genoemd, maar noch Kant noch Paine gebruikte deze naam om deze staatsvorm te benoemen.
Ze waren er ook van overtuigd dat deze ‘democratieën’2 zouden zorgen voor vrede tussen de staten. Internationale organisaties en internationale handel zouden deze vrede nog verder bewerkstelligen, aldus de auteurs.

De verschillende visie van beide auteurs op het vlak van interventies, zijn onlosmakelijk verbonden met het verschillende mensbeeld van beide auteurs.

In het revolutionaire liberalisme van Paine (Paine, 1791)3, worden mensen beschouwd als zeer morele wezens, gekarakteriseerd door rede en goedheid. Deze rede, moraliteit en goedheid zijn dus de basis van de inherent goede mens, maar vaak worden de mensen gecorrumpeerd en hun goedheid vertroebeld door corrupte vormen van bestuur. Een democratische revolutie zou de mens bevrijden van deze corrumperende regering, en de mens zou terugkeren naar zijn originele, ‘goede’ zelf. Paine was er van overtuigd dat deze overgang van het corrupte regime naar de democratie zeer snel zou gaan, en hij betwijfelde dan ook of de corrupte regimes in Europa nog meer dan een decennium zouden standhouden.
Rekening houdende met het feit dat Paine zijn werk in 1793 publiceerde, kunnen we stellen dat de geschiedenis deze stelling duidelijk heeft ontkracht.

Kant op zijn beurt had een iets voorzichtiger, donkerder beeld van de mens (Kant, 1795)4.
Hij ging zelfs zo ver om op een bepaald moment oorlog te beschouwen als iets inherent menselijks. Hij nuanceerde dit echter door te stellen dat de mens –op basis van de rede- echter in staat was om weg te evolueren van deze oerstaat om uiteindelijk in vrede te leven.
Hét vehikel voor deze evolutie was volgens Kant een goede organisatie van de staat. Die goede organisatie moet ervoor zorgen dat de individuele verlangens van de mensen aan elkaar tegengesteld worden zodat de mens (ook al is hij au fond niet moreel goed) toch aangespoord wordt een goed burger te zijn. Kant was er echter van overtuigd dat deze evolutie (zowel van de staat als van de mens) een traag, gradueel proces is, dat niet zomaar direct verwezenlijkt kan worden.
Deze visie op de mens en de politieke instituties wordt ook gekend onder de noemer ‘evolutionair liberalisme’.

Indien we deze twee verschillende visies goed analyseren, is het verschil in visie in verband met interventies niet zo moeilijk te begrijpen.

Paine, die uitging van de goedheid van de mens, was er ook van overtuigd dat indien de corrumperende regeringen verwijderd werden, de mens zou terugkeren naar zijn goede zelf en de waarde van vrijheid, rechtvaardigheid en democratie zou aanvaarden. Hij zag de wereld als een samenhangend geheel, waar democratieën constant bedreigd worden door niet-democratische staten. De oplossing was dan ook om te zorgen voor democratische regeringen over heel de wereld. Militaire interventies om de corrupte regimes omver te werpen en het volk te bevrijden, zijn dus volgens de logica van Paine geoorloofd.

Kant op zijn beurt had een iets minder positief mensbeeld, maar geloofde ook dat democratieën mensen kunnen aanzetten tot goedheid. Zoals eerder al gesteld was hij er van overtuigd dat dit een traag en gradueel proces is. Het opdringen van een democratische staatsvorm is volgens Kant niet alleen een schending van de soevereiniteit, maar ook vrij nutteloos. Het graduele evolutionaire proces van democratisering zou op deze manier onderbroken worden, en de staat zou vervallen in een complete anarchie. Een militaire interventie om een land te democratiseren is dus volgens de Kantiaanse logica niet alleen een schending van de soevereiniteit, maar ook gewoon gevaarlijk en nutteloos.

Een kleine studie van deze twee zeer invloedrijke filosofen leert ons dat het debat in verband met militaire interventies liberale (en andere denkers) al lang bezighoudt.
Beide filosofen schreven hun werk in de periode rond de Franse en Amerikaanse revolutie, waardoor ze overtuigd waren van de doeltreffendheid en noodzakelijkheid van een democratie. Paine’s beeld van de mens als een inherent ‘goed’ iemand is misschien iets optimistischer, maar los van dit (al dan niet correcte) beeld is het duidelijk dat hij de politiek-institutionele realiteit uit het oog verliest.

Als we deze beide visies nu vergelijken met de visie van Bricmont (Bricmont, 2008)5 in verband met humanitaire interventies, kunnen we stellen dat hij het dichtste aansluit bij Kant. Hij pleit ook tegen interventies en wijst (net als kant) op het belang van samenwerking en het respect voor de nationale soevereiniteit. De roots van Bricmont liggen dus waarschijnlijk eerder in de evolutionair-liberale stroming van oa Kant dan in de revolutionair-liberale stroming van oa Paine.

De vestiging van politieke democratieën in het Westen is een proces dat eeuwen geduurd heeft. Verwachten dat een politiek systeem met een cultureel andere achtergrond en geen echte traditie van inspraak van het volk, op een snel tempo kan veranderen en zo maar de westerse waarden opeens kan overnemen, is volgens mij dan ook een utopie.
Politieke instituties zijn meestal systemen die gesteund worden door (een groot deel van) de maatschappij en er stevig in verankerd zitten. Politiek-intitutionele veranderingen zijn mogelijk, maar moeten van onderuit beginnen. Staatsstructuren die van bovenaf opgelegd worden missen meestal legitimiteit bij het volk, en leiden dan op hun beurt tot een burgeroorlog, volksopstand, een nieuwe (intern gesteunde) revolutie of zorgen ervoor dat een autoritair of radicaal regime op ‘democratische’ wijze aan de macht komt.

Democratie wordt door het grootste deel van de (westerse) wereld beschouwd als dé staatsvorm bij uitstek. Indien we onze democratische waarden willen verspreiden over de wereld, is een aanpak van sensibilisering en diplomatie veel waardevoller dan een aanpak van (blinde) militaire interventies. Deze interventies worden namelijk vaak door de plaatselijke bevolking gezien als een bezetting of een vorm van post-colonialisme, waardoor de democratische boodschap toch in dovemansoren valt, en de plaatselijke maatschappij vaak in een chaos vervalt. Deze chaos voedt op zijn beurt anti-democratische en radicale stromingen waardoor de interventie als puntje bij paaltje komt vaak een contra-productief effect heeft.

Ik moet me dus aansluiten bij Kant (en bricmont), die niet gelooft dat een politieke democratie zo maar op een twee drie kan opgelegd worden. Een kijk op onze eigen westerse geschiedenis en de trage evolutie op mensenrechtelijk en democratisch vlak, moet ons doen beseffen dat ook in andere delen van de wereld nog meer tijd nodig is.


-------------------------------------------------------------------------------------
1.WALKER, C., ‘Two faces of liberalism: Kant, Paine and the question of Intervention”, International studies Quarterly, 2008, 52, p. 449-468
2.Niettegenstaande het feit dat geen van beide auteurs de naam Democratie gebruikte om deze staatsvorm te beschrijven, wordt in de loop van dit stuk toch beroep gedaan op deze term om bovengenoemde staatsvorm te beschrijven.
3.PAINE, T., 1791, Rights of Man, Baltimore, 1969, Pengiun books.
4.KANT, I., 1795, Perpetual peace, in ‘Kant’s Political writings’, Cambridge University press.
5.BRICMONT, J, 2008, “the violent folly of Humanitarian inerventionism”, Counterpunch, 27 maart 2008.