Showing posts with label Populair. Show all posts
Showing posts with label Populair. Show all posts

Tuesday, 30 December 2008

Gaza’s on fire… again.

Zoals vermeld in de vorige bijdrage aan deze blog staat de Gazastrook wederom (letterlijk en figuurlijk) in brand.

Het is niet de bedoeling om het Palestijns-Israëlitisch conflict uitgebreid te bespreken, maar in het kader van de algemene discussie is het wel interessant om eens een kijkje te nemen hoe de internationale gemeenschap reageert.

In het artikel ‘Israël stuurt boot met goederen voor Gaza terug” dat verscheen in Dagblad De morgen op 30 december 2008(1), wordt bericht gegeven over het feit dat de Israëlitische marine een schip terug heeft gestuurd dat hulpgoederen wou brengen naar Gaza. Of het schip van de marine het schip met hulpgoederen heeft geramd of niet is onduidelijk, en doet eigenlijk ook niet echt terzake.

Dat de situatie die al jaren in stand gehouden wordt in de Palestijnse gebieden een humanitaire crisis is en een hele hoop mensenrechten schendt, is voor niemand nieuws. De (democratische) verkiezing van Hamas in de Gaza-strook heeft de houding van de Israëlische regering alles behalve gemilderd. Een tijdelijk staakt het vuren werd afgekondigd, maar enkele dagen geleden verbroken door Hamas.

Premier Olmert en zijn kabinet reageerde met luchtbombardementen en vergoelijkte die oorspronkelijk door te stellen dat het ging om het recht op zelfverdediging. Het is opvallend om te zien hoe de Israelitische staat (net zoals enkele andere belangrijke internationale spelers) zich beroepen op het internationale recht als het hen goed uitkomt, maar zich niet houden aan ditzelfde recht, noch aan de billaterale of internationale verdragen waar ze zich voor engageren. Daarenboven stelt het internationale recht op zelfverdediging dat de ‘tegenacties’ proportioneel moeten zijn, wat in casu in vraag gesteld kan worden gezien de meer dan 300 doden in Gaza en het ene dodelijke slachtoffer in Israël.

Enkele dagen later werd de ware bedoeling van de bombardementen duidelijk: de bedoeling is om het Hamas-regime te destabiliseren en uiteindelijk ten val te brengen. We kunnen ons uiteraard de vraag stellen wat er zal gebeuren met de Gazastrook indien het Hamas-regime ten val wordt gebracht. Kiezen de israeli’s ervoor om Abbas terug de scepter in handen te geveb, of gaan ze over tot de herbezetting van een regio die door hen niet anders beschouwd kan worden als een gevaarlijke wespennest? De tanks voor het grondoffensief staan al klaar aan de grens met Gaza…

Ondertussen stromen de reacties van de internationale gemeenschap binnen. De Verenigde Naties en Ban Ki-Moon pleiten voor een stopzetting van de vijandigheden, net zoals de Turkse premier Erdogan, die op een bijenkomst van zijn partij de situatie beschreef als zijnde ‘misdaden tegen de menselijkheid’. De Iranese geestelijke leider Ayatollah Khamenei riep alle gelovigen in de moslimwereld op om de Palestijnen te verdedigen, en Hamas zelf roept op tot een derde Intifada.
De USA schuift op zijn beurt de zwarte piet door naar Hamas, die zogezegd de aanvallen zou uitgelokt hebben. Zeer verassend is dit niet, maar de reactie van PLO leider Abbas, die een gelijkaardige stelling de wereld instuurde is op z’n minste bijzonder te noemen. Uiteraard heeft deze houding te maken met de strijd die momenteel gaande is tussen Hamas en Fatah, maar Abbas maakt zichzelf op deze wijze duidelijk alles behalve populair bij de palestijnen in Gaza.

Het is zeer interessant om de verschillende houdingen ten opzichte van dit conflict te bestuderen en te analyseren, maar dat is eerder materiaal voor een wetenschappelijke studie of een boek en gaat het kader van deze blog te buiten.

Wat wel relevant is voor deze bijdrage is het gebrek van eenduidige reactie van de internationale gemeenschap. Doorheen deze blog is het al duidelijk geworden dat het nooit gemakkelijk is om een bepaalde situatie als een humanitaire ramp (of sterker nog, als ‘misdaden tegen de menselijkheid) te categoriseren. De eventuele interventie (al of niet gerechtvaardigd) die er al dan niet komt is meestal ook onderwerp van een serieus debat en veel gefilibuster en gelobby.

Het versterken van de MONUC troepenmacht in Oost-congo bijvoorbeeld is een goede maatregel te noemen, en los van de échte drijfveren van de ‘humanitaire’ interventies in het algemeen, wordt steevast beroep gedaan op de humanitaire rampen ten velde en de instabiliteit die het conflict in de regio veroorzaakt.

Opvallend in dit hele discours is het uitblijven van een (eenduidig) antwoord op de situatie in Israel en de Palestijnse gebieden. Dit conflict zorgt –zoals geweten- al sinds zijn ontstaan voor tweedracht in het internationale spectrum, maar over de humanitaire rampen die deze situatie al decennia veroorzaakt kan geen onenigheid zijn.

Toch blijft een interventie afwezig, en de vredesonderhandelingen die dan al gevoerd worden houden onvoldoende rekening met de verzuchtingen van de Palestijnen en bevestigen de onevenwichtige machtsverhoudingen die werkelijkheid zijn zowel op het veld als aan de onderhandelingstafel. Ook economische of diplomatieke sancties blijven uit.

Gezien de humanitaire rampen die de situatie al jaren veroorzaakt en de instabiliteit die het veroorzaakt in de regio, zou de oplossing ervan (ook al is er geen eenvoudige oplossing mogelijk) een absolute prioriteit moeten zijn. Jammer genoeg is er te weinig politieke moed en eensgezindheid om de partijen te ‘dwingen’ (zij het economisch of militair) om over te gaan tot serieuze onderhandelingen -iets wat vreemd genoeg voormalig Amerikaans Bush Sr in zekere mate wel gedaan heeft-. Daarenboven zijn er verschillende spelers (en niet in de minste mate Israël) die meer belang hebben bij een handhaving van het status-quo.

Als de internationale gemeenschap echt werk wil maken van een veiligere wereld gebaseerd op bescherming van en respect voor de mensenrechten, is een evenwichtige oplossing voor het Palestijns-Israëlitisch conflict een absolute must.

Referenties:

(1) 'Israel stuurt boot met goederen voor Gaza terug', De morgen, 30/12/2008, zie: http://www.demorgen.be/dm/nl/990/Buitenland/article/detail/580312/2008/12/30/Israel-stuurt-boot-met-goederen-voor-Gaza-terug.dhtml

Monday, 29 December 2008

Hoe zelfs R2P nog beperkingen heeft

Voor deze bijdrage heb ik me gebaseerd op een interview met Françoise Bouchet-Saulnier (juridisch adviseur van Artsen Zonder Grenzen en samenstelster van ‘Dictionnaire pratique du droit international humanitaire’) in verband met de beperking van R2P met betrekking tot de natuurramp in Myanmar eerder dit jaar.


Op deze blog komen voornamelijk artikels aan bod die humanitaire militaire interventies (een contradictio in terminis?) ontmaskeren als zijnde verdoken imperialistische interventies. Om de publieke opinie te overtuigen van het feit dat dit rechtvaardige interventies zijn, worden deze vaak gekoppeld aan moreel hoogstaande doelen, zoals bijvoorbeeld de bescherming van de mensenrechten of het installeren van democratie. In de meeste gevallen is het moeilijk te onderscheiden in hoeverre de operaties werkelijk gebaseerd zijn op eigenbelang en machtsbestendiging of -versterking, en in hoeverre humanitaire redenen een rol spelen. Uiteraard is noch de ene versie, noch de andere de absolute waarheid en zal de ware toedracht ergens tussenin moeten gezocht worden.

Maar hoe zit het met operaties die onbetwistbaar louter humanitair zijn, vroeg ik me af. Het is frappant om te constateren dat interventies gebaseerd op twijfelachtige humanitaire doelen uitvoerbaar en verdedigbaar zijn, maar dat in ondubbelzinnige gevallen van een puur humanitaire crisis, bijvoorbeeld de natuurramp in Myanmar van mei 2008, dit onmogelijk blijkt te zijn. Internationale hulp werd belemmerd door de overheid, terwijl de bevolking in hoge nood verkeerde. Hier stelde zich eveneens de vraag: moet de internationale gemeenschap machteloos toezien? Of dient ze eenzijdig actie te ondernemen? Het dilemma dat elke humanitaire (of pseudo-humanitaire) interventie karakteriseert, namelijk de keuze tussen het basisbeginsel van de soevereiniteit, en het beschermen van een bevolking en haar rechten.

In het juridisch kader voor internationale humanitaire hulp in geval van natuurrampen, bestaat er geen enkele bepaling die recht geeft op het verstrekken van hulp of een toezichtverplichting aangeeft. Bij het weigeren van internationale humanitaire hulp, zoals in het geval van Myanmar, kan die weigering juridisch gezien niet genegeerd worden. De hulporganisaties zijn dus gebonden aan de toestemming van de overheid van het land in kwestie, ook al betreft het een autoritair of ondemocratisch regime. (Ging het over een militaire ‘humanitaire’ interventie, dan zou dat autoritair regime op zich al een reden kunnen geweest zijn om te interveniëren). De enige mogelijkheid om het land iets op te leggen, is via de VN-Veiligheidsraad, op basis van hoofdstuk 7, meerbepaald de bedreiging van de vrede. Ook R2P of ‘Responsibility to Protect’ is in het geval van natuurrampen niet van toepassing.

R2P is een concept dat beide basisbeginselen (de soevereiniteit van een staat en de bescherming van een bevolking en haar rechten) poogt te verzoenen. Het principe houdt in dat een staat de verantwoordelijkheid heeft om haar burgers te beschermen. Indien dit niet het geval blijkt, mag de internationale gemeenschap tussenkomen. Dit kan het geval zijn in gevallen van genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuiveringen en misdaden tegen de menselijkheid. R2P houdt op rechtsgebied een evolutie in; de VN-Veiligheidsraad is niet meer verplicht om een bedreiging van de wereldvrede aan te tonen als motivatie om op te treden tegen een land. Dit betekent echter niet dat R2P een vrijgeleide betekent, de VN-Veiligheidsraad moet nog steeds tot een consensus komen en de uiteindelijke beslissing nemen. Over belemmeringen van hulpacties bij natuurrampen wordt er niet gesproken. Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Myanmar kwam een debat op gang om niet alleen door de mens veroorzaakte crisissen, maar ook de effecten van natuurrampen in het beginsel op te nemen. Velen waren immers verontwaardigd over de situatie en stelden dat het R2P moest ingeroepen worden omdat de overheid zich schuldig maakte aan misdaden tegen de menselijkheid.

Met deze bijdrage wil ik een discrepantie bloot leggen. Het is haast ironisch hoe ‘vlot’ militaire (pseudo-)humanitaire acties kunnen ontstaan, vergeleken met de machteloosheid die overheerste bij de situatie in Myanmar. Het is allerminst de bedoeling om uitgebreid in te gaan op de voor-en nadelen van R2P en evenmin om een uitvoerig pleidooi te houden voor een aanpassing van het recht. Want net zoals eenzijdig opgelegde vrijheid en democratie niet effectief is, zal opgelegde hulp dat evenmin zijn. Zelfs al hoeft dit niet te betekenen dat er een militaire actie ondernomen wordt –men kan bijvoorbeeld hulp droppen- dan is het binnenbrengen van hulp nog geen garantie op een goede verspreiding ervan. Cru gesteld zou een aanpassing impliciet een goedkeuring van alle andere operaties betekenen die ondernomen werden op basis van het beschermen van de vrede of op basis van R2P.



Referenties:

‘Verantwoordelijkheid om te beschermen?’, interview met Françoise Bouchet-Saulnier, 21/05/2008, Artsen Zonder Grenzen, http://www.msf-azg.be/nl/main-menu/actueel/nieuws/nieuws-detail/table/966.html (geraadpleegd op 29/12/2008)

Thursday, 25 December 2008

De bom onder Pieter De Crem

In tijden van een regeringloos België, lijkt het mij een uitgelezen moment om een artikel te becommentariëren dat het Belgische standpunt ten aanzien van interventionisme beschrijft. Meer specifiek komt dit artikel uit ‘Knack’ van 10 december 2008 en gaat het om een interview met aftredend Minister van Landsverdediging Pieter De Crem (1).

De acties die De Crem tijdens zijn mandaat als minister van Landsverdediging verrichten, werden in de media niet steeds in een positief daglicht gesteld. Denkt u maar aan zijn vele woordenwisselingen met zijn voorganger Flahaut, zijn afslankingsplannen voor het Belgische leger en zijn recente optreden in een New Yorks café. In dit artikel peilt Knack voornamelijk naar het standpunt van De Crem over de deelname van de Belgische troepen aan interventies onder de vlag van de NAVO of VN. Het is algemeen geweten dat De Crem niet terugschrikt van een deelname aan een militaire tussenkomst. Met deze houding stoot De Crem niet enkel op politieke weerstand (zoals van Louis Michel die stelt dat militaire aanwezigheid in Congo geen vrede kan afdwingen aangezien er te veel strijdende partijen bij het conflict betrokken zijn) maar ook op weerstand van de publieke opinie die vaak gekant is tegen militaire operaties in het buitenland. Bovendien kampt ook de defensietop van België met een gebrek aan mankrachten in het Belgische leger. Wanneer De Crem dus spreekt over het deelnemen aan een interventie, kan dit dus enkel met een beperkt aantal troepen. Het sturen van militaire middelen (zoals F-16’s), hulp bij het inzamelen en verwerken van informatie en het opleiden van lokale soldaten nemen een groter deel van deze deelname voor hun rekening. Opnieuw kan in dit kader de stelling van Bricmont (2) aangehaald worden, die stelt dat het Westen voornamelijk intervenieert door gebieden te bombarderen aangezien het sturen van landtroepen niet binnen hun bereik ligt.
Momenteel zijn er Belgische troepen gestationeerd in vijf gebieden: Afghanistan, Libanon, Tsjaad, Kosovo en de Kust van de Hoorn van Afrika. Het meest actuele interventiedebat in België betreft overduidelijk de kwestie Congo. Zo stelt De Crem in dit artikel dat België dient deel te nemen aan een militaire interventie in het gebied rondom Goma aangezien zich daar een crisissituatie voordoet die de rechten van de bewoners beperkt. In dit artikel wordt desbetreffend gewezen op het gebrek aan drinkbaar water, onderwijstekort en afgesloten communicatie en transportwegen. De Crem wil met andere woorden deelnemen aan een interventie met humanitaire beweegredenen, de mensenrechten in de regio’s verzekeren.
Maar is dit ook effectief zo? Wil België door zijn militaire interventie in het buitenland, en zeker in zijn ex-kolonie Congo, niet haar economische en diplomatieke belangen in deze staten verzekeren? Of ligt de oorzaak van deze reactie van interveniëren zoals Bricmont stelt, in het zwakke standpunt van ideologisch links dat interventionisme als offensief tegen de rechtse beweging na de val van het communisme ziet?


Er kan algemeen gesteld worden dat het doel van een humanitaire militaire interventie het stoppen van geweld en het creëren van ruimte voor een politieke oplossing is. Maar leidt een militaire tussenkomst inderdaad steeds tot het bereiken van vrede? Vredesacties, een NGO die gekant is tegen het Belgische militaire interventionisme, stelt dat bij een militair ingrijpen het belang van gewapende groepen in een conflict toeneemt (3). Door een militaire interventie wordt België een partij in het conflict wat misschien wel leidt tot een militaire overwinning maar vaak ook tot polarisering van het conflict. Van enig vredesproces is hierdoor vaak geen sprake. Bovendien wijst Vredesacties ook op het belang van toestemming van alle partijen in een conflict, een element waar ook Jean Bricmont veel belang aan hecht, maar waar in het huidige interventionisme van België steeds minder rekening gehouden wordt. Tjaad en Afghanistan vormen volgens Vredesacties een duidelijke illustratie van zowel het negeren van toestemming als van polarisering van het conflict. De NGO stelt daarom dat wanneer men echt iets aan humanitaire noodsituaties wil doen, er resoluut gekozen zal moeten worden voor een fundamenteel ander veiligheidsbeleid.


Naar mijn mening levert de argumentatie van de NGO Vredesacties een belangrijke bijdrage aan de discussie op deze blog. Ik sluit me aan bij haar standpunt dat een staat, in dit geval België, te vaak vergeet dat zelfs wanneer zij spreekt van ‘humanitaire interventie’, ze in sommige gevallen meer kwaad doet dan goed, een standpunt dat ook Bricmont inneemt. Maar net zoals de titel van het interview met De Crem letterlijk stelt ‘Moeten we de mensen daar laten stikken?’ is niet interveniëren ook geen oplossing. Is een ander veiligheidsbeleid dan wel een stap vooruit? Waarschijnlijk wel, maar een antwoord op de vraag hoe dit nieuwe veiligheidsbeleid dan ingevuld dient te worden, kan ook Vredesacties niet formuleren. Mijns inziens zou diplomatiek overleg hierin een prominente rol moeten spelen, net zoals instemming van de betrokken partijen en de invulling de humanitaire factor in een interventie. Zoals ik reeds in mijn vorig artikel stelde moeten organisaties en staten alvorens te interveniëren zich bezinnen over de reeds aangerichte schade door het heersende conflict en de waarschijnlijke aangerichte schade wanneer ze intervenieert, en met dit in het achterhoofd elementen van hun defensiebeleid vernieuwen of aanvullen.


Referenties

(1) Martens P., Renard H. (2008), Moeten we de mensen daar laten stikken?, Knack, 38 (50), 22-26.
(2) Bricmont, J.(2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.
(3) Vredesacties (2008), Afghanistan of Tjaad¸’Humanitair imperialisme faalt’, MO*.

Sunday, 21 December 2008

Soevereine onschendbaarheid als oplossing voor hedendaags humanitair imperialisme?

Bespreking James Traub ‘A fight to protect’ in Foreign Policy, November/December 2008, pp.80-82.

De laatste jaren werd de humanitaire retoriek zodanig ver gerokken, dat de discrepantie tussen discours en realiteit pijnlijk zichtbaar werd. De impact van het ‘ontspoorde’ buitenlands beleid van de VS (en diens bondgenoten) is rampzalig gebleken voor de credibiliteit van de mensenrechtendoctrine. In deze context werd het idee dat humanitair interventionisme gewoon een hernieuw verpakte vorm van imperialisme is, steeds relevanter. Dat puur altruïsme weinig rol speelt in politieke beslissingsprocessen op het hoogste niveau – of inderdaad in geen enkele politieke handeling – is geen recente openbaring. Elke serieuze studie van een militaire interventie, humanitair of niet, komt uiteindelijk tot eenzelfde, weinig verassende, vaststelling; geografische - en eventueel culturele – elementen, maar vooral economische en strategische belangen, bepalen welk regime/conflict het waard is om aan te pakken.
Daarom bespreek ik in dit commentaarstuk geen concrete casus, maar eerder het debat op zich, en welke achterliggend toekomstvisies de verschillende standpunten impliceren.

In het besproken artikel bekritiseert James Traub het boek “The Thin Blue Line: How Humanitarianism Went to War” van Conor Foley (1). Deze laatste past in het rijtje sceptici waarin we ook Alex de Waal en Jean Bricmont terugvinden. Het zijn denkers die het moreel failliet en de hypocrisie van het begrip en het gebruik ‘humanitaire interventie’ aanklagen. Foley komt - na jarenlange ervaring in het veld - tot de conclusie dat de laatste twintig jaar de traditionele humanitaire principes zoals onpartijdigheid en neutraliteit, steeds verder ondermijnt zijn geweest. Een ‘politiek humanitarisme’ – vergelijkbaar met Bricmonts Impérialisme Humanitaire - is zo ontstaan, en uitgegroeid tot een miljoenenindustrie die de buitenlandse agenda van de VS en de EU bepaalt. Volgens Foley moet de humanitaire sector teruggaan naar zijn apolitieke vorm, zich distantiërend van de grootmachten, die anders een moreel alibi toegespeeld krijgen om hun machtspolitiek te realiseren. Traub spreekt dit tegen, en stelt dat een actieve inmengingspolitiek op basis van mensenrechten wel degelijk een heilzaam project – ‘A fight to protect’ – is, waar een wereldwijde behoefte aan bestaat. De titel van zijn recent boek zegt genoeg: “The Freedom Agenda: Why America Must Spread Democracy (Just Not the Way George Bush Did)”(2). Hoewel hij unilaterale actie afkeurt blijft Traub een vurig voorstander van internationaal optreden; “the right of people to be free from the worst forms of mistreatment supersedes the right of states to be free from external intervention.”

Foley en Traub kunnen dienen als stereotiepe modellen voor de anti-interventionist enerzijds en de humanitaire believer anderzijds. Traub is een mondaine New Yorker, kosmopolitisch maar tegelijkertijd met dat typische Amerikaanse – zie ‘wereldvreemd’ - geloof in democratische waarden als wondergeneesmiddel. Foley belichaamt een strekking “ex-humanitaristen” die door de hypocrisie, leugens, misbruiken en menselijke catastrofes tijdens de War on Terror geen manier meer zien hoe vanuit het westen nog een humanitair of ethisch beleid gevoerd kan worden. Het ‘westers’ optreden in Irak en Afghanistan – maar ook de NATO interventie in Kosovo – hebben de desastreuze realiteit van militair interventionisme in beeld gebracht. Hierbij moet opgemerkt worden dat het ‘humanitaire’ ver te zoeken was in de opzet en de uitvoering van deze operaties, en toch wordt ‘humanitarisme’ wereldwijd steeds meer geassocieerd met imperialisme. Het argument dat politieke en maatschappelijke verandering begint bij de bevolking van het land in kwestie, lijkt bevestigd.

Maar welke conclusies moeten publiek en politici daaruit trekken? Dat een extern optreden alleen kan leiden tot de escalatie van een conflict? Wat moet de internationale gemeenschap hieruit leren? Dat een terugkeer naar het principe van niet-inmenging, de herbevestiging van nationale soevereiniteit als hoogste waarde, de enige oplossing is? Een terugkeer naar de statische wereldorde van de koude oorlog is niet alleen hoogst onwaarschijnlijk, het zal ook geen remedie zijn tegen imperialisme. Het niet-inmengings principe heeft in het verleden een perverse dynamiek voortgebracht, onschendbaarheid schenkend aan repressieve overheden. Een consequent anti-interventionisme op basis van onschendbare nationale soevereiniteit impliceert ook een achterhaald soort cultuurdeterminisme. Op die manier wordt bijvoorbeeld indirect gesteld dat genocide en massamoord eigen zijn aan een (nationale) cultuur, en dat de buitenstaander hierover geen uitspraak kan doen. Het gaat hier om de universaliteit van de woorden ‘mensenrechten’ en ‘genocide’, en hun herkenning als betekenisvolle en juridische begrippen. Deze zijn uiteraard recent in gebruik genomen, toch kunnen ze niet afgedaan worden als zijnde puur socioculturele constructies van een agressief westers liberalisme. De grondbeginselen van moderne mensenrechten zijn terug te vinden in historische wetteksten en morele traktaten doorheen de geschiedenis en overheen de continenten. Ook ‘genocide’ is een wederkerend maatschappelijk fenomeen in de wereldgeschiedenis, dat sinds de tweede wereldoorlog een moderne benaming kreeg en getheoretiseerd werd.

De inzichten van anti-interventionisten zoals Foley en Bricmont zijn waardevol; we kunnen uiteraard niet blind zijn voor het machtspel dat verscholen gaat achter de humanitaire retoriek van overheden. Er is zeker nood aan ontnuchterende analyses als tegengewicht voor overijverig humanitair idealisme. Maar de concrete aanbevelingen die denkers als Bricmont en Foley aanreiken bieden geen bevredigende oplossing op de vraag naar de mogelijkheid van een ethisch verantwoord buitenlands beleid. Auteurs zoals Traub negeren dan weer deze kernproblematiek en verwaarlozen hun betoog voor ‘de morele plicht om op te treden’ door terug te grijpen naar nationale referentiekaders. Indien de VS aan wereldwijde democratisering wil doen zal het eerst en vooral zichzelf moeten integreren in een multipolaire wereldorde waarin internationale instellingen gezag kunnen afdwingen. Er bestaat een relatieve consensus onder academici en opiniemakers dat een humanitaire interventie van militaire aard alleen legitiem is via een VN mandaat - hoewel ook dit geen belangenloze organisatie is. Idealiter zou alleen een hervormde VN – en deze hervorming zal zeker meer moeten omvangen dan een uitbreiding van de Veiligheidsraad – in samenwerking met het International Criminal Court, de bevoegdheid hebben om de soevereiniteit van een natie op te heffen. De grote vraag blijft of dat alle staten van de wereld inderdaad bereid zullen zijn om meer te investeren in globale structuren, en daarbij ook hun eigen soevereiniteit durven prijs geven.

Wie echter pleit voor een terugkeer naar een absoluut principe van soevereine onschendbaarheid, uit de overtuiging dat het internationaal systeem en de mensenrechten doctrine niets meer zijn, en zullen zijn, dan machtsinstrumenten van the powers that be, ontkent tegelijkertijd elke mogelijkheid op verbetering. Dergelijke pessimistische visie kan de intellectueel even laten meesurfen op de ‘tegendraadse’ anti-Bush stroming, maar het brengt bitter weinig bij tot het ontwikkelen van toekomstige hulpmechanismen die in reële humanitaire noodsituaties hulp zouden moeten kunnen bieden.


Referenties:

(1.) Foley C. ‘The Thin Blue Line: How Humanitarianism Went to War’ Londen, Verso, 2008.
(2.) Traub J. ‘The Freedom Agenda: Why America Must Spread Democracy (Just Not the Way George Bush Did)’ Farrar, Straus & Giroux (publ.), 2008.