Showing posts with label Multimedia. Show all posts
Showing posts with label Multimedia. Show all posts

Tuesday, 30 December 2008

Humanitaire interventies als (voorlopig) laatste stap in het neoliberaal-imperialistisch project?

In dit stuk wil ik Tom bijtreden en het debat over “humanitaire interventies” als economisch imperialisme verruimen. Ik vang hiervoor aan met de bespreking van een interview met Noam Chomsky voor de Servische televisie (1). Daarin geeft hij zijn – inmiddels welbekende – kijk weer op de NAVO-oorlog in Joegoslavië. In heel het interview werpt Chomsky twee centrale stellingen. De eerste houdt verband met de vraag naar de werkelijke drijfveren achter de Westerse invasie. Die vraag werd volgens hem beantwoord door “a very authoritative comment from the highest level of the Clinton administration”. Die verklaarde dat de oorlog niets te maken had met de bezorgdheid om de Kosovaarse Albanezen. De drijfveren hadden echter meer van zien met het feit dat Servië niet de “nodige sociale en economische hervormingen” doorvoerde. Het land zou immers het laatste deel van Europa zijn geweest dat zich niet had onderworpen aan Amerikaanse neoliberale programma’s. Vandaar dat het geëlimineerd moest worden.

Nu, dit waren uiteraard niet de beweegredenen die de NAVO-landen destijds de wereld instuurden ten einde de oorlog te rechtvaardigen. De invasie was, aldus Westerse staten, een reactie op de massale mensenrechtenschendingen van Milosevic in deelstaat Kosovo. Dit was het dominerende discours in alle NAVO-deelstaten. Chomsky daarentegen bekritiseert met klem dit officiële discours. Enerzijds hekelt hij de dubbelzinnigheid en morele selectiviteit van de NAVO. Het Westen had zich immers als één blok achter deze “humanitaire” oorlog geschaard en dat terwijl er binnen de NAVO zelf, in Turkije, op hetzelfde moment met Amerikaans wapentuig zwaardere mensenrechtenschendingen werden gepleegd tegen de Koerden. Anderzijds stelt hij dat de Westerse media zodanig verblind zijn geraakt door dit officiële vertoog dat ze alle realiteitszin zijn kwijtgespeeld. De Servische mensenrechtenschendingen in Kosovo zouden, aldus Chomsky, fel overroepen zijn: “It was ugly, but by international standards almost invisible”. De genocide in Kosovo werd als voorwendsel gebruikt om Servië aan te vallen, maar deze had pas na de invasie plaatsgegrepen. Milosevic zou op die manier later veroordeeld zijn geweest voor misdrijven die hij pas had gepleegd na de “humanitaire interventie”.

In zijn tweede stelling laakt Chomsky de algemene houding die Westerse intellectuelen hadden aangenomen tijdens de oorlog. Binnen de intellectuele wereld was er immers sprake van een algemene instemming met het zogezegde rechtvaardige en humanitaire karakter van de oorlog. Had je een afwijkende mening, dan was je ofwel een Milosevic-aanhanger ofwel stond je gewoon onverschillig ten opzichte van ‘genocide’. Die intellectuelen kunnen volgens Chomsky verre van onafhankelijk worden genoemd. Ze menen te baden in objectiviteit en onafhankelijkheid, maar ze zouden volledig onderworpen zijn aan de staatsmacht.



Beide stellingen komen we tevens bij Bricmont tegen (2). Toch zou ik me vooral op de eerste willen focussen daar die minder uitvoerig werd besproken door Bricmont. De stelling dat de VS onder het mom van een “humanitaire interventie” een land zouden aanvallen om hun globaal neoliberaal-imperialistisch project uit te voeren is een linkse analyse die door de ‘mainstream’ steeds werd afgedaan als marxistische complottheorie. De laatste jaren is echter de link tussen het wereldwijde neoliberale project en “humanitaire interventies” vaker aangehaald geweest. Het zouden vooral de neoliberaal/kapitalistische belangen van de VS zijn die keer op keer een reëel motief blijken te zijn om te interveniëren. De theoretische onderbouwingen voor deze stelling kwamen meestal van marxisten en linkse wetenschappers zoals Michael Parenti. Deze stelt o.m. dat “klassebelangen” de meest relevante factoren zijn om empires te constueren (3). Empires zouden aldus instrumenten zijn in dienst van de “heersende economische klasse”. Dusdanig wijst Parenti op de nauwe verwevenheid die er bestaat tussen economische en politieke macht die vervolgens leidt tot economisch imperialisme. Dat imperialisme definieert hij als de relatie waarbij de heersende belangen van één land via economische en militaire macht het grondgebied, de arbeid, de natuurlijke rijkdommen, de financiën en de politieke structuren van een ander land beheersen. Onder het mom van de verspreiding van ‘vrijheid’ en ‘democratie’ laten de VS zich in met zowat alle landen ter wereld. Bij nader inzien blijkt echter dat zij vooral de belangen van het kapitalisme verdedigen tegen zowat elke sociale verandering aldaar. Zo wordt op alle mogelijke manieren wereldwijd de opening van markten opgedrongen om buitenlandse investeringen en de internationalisering van kapitaal te vergemakkelijken (4). Mensenrechten worden dan als excuus aangehaald om te interveniëren terwijl het de VS in de realiteit vooral te doen is om het veiligstellen van hun economische belangen en het introduceren van politieke en economische instituties die kapitalistische accumulatie en buitenlandse investeringen moeten versterken. De doelwitten van deze interventies worden niet zomaar at random geselecteerd. Het gaat vooral om plaatsen waar een zekere instabiliteit heerst die schadelijk kan zijn voor de economische belangen van de VS.

Sommigen gaan een stap verder en stellen dat het wereldwijde neoliberale project onder leiding van de VS de ultieme voedingsbodem blijkt te zijn voor burgerconflicten en failed states die naderhand militair moeten worden bijgestaan. Zo stelt Federici dat vooral het Afrikaanse continent aantoont dat er een duidelijk verband bestaat tussen de implementatie van structurele aanpassingsprogramma’s in de jaren ’80 en de ontwikkeling en bestendiging van een toestand van constante oorlogsvoering (5). SAP’s zouden oorlog voortbrengen en oorlog zou op zijn beurt het werk van SAP’s vervolledigen. Oorlog zou de nodige ‘onderbuik’ zijn gebleken voor nieuwe mercantiele economieën of “plundereconomieën” die bloeien met de betrokkenheid van buitenlandse bedrijven en internationale agentschappen die ervan profiteren. Nu wat is de link met de etnische aard van die conflicten? Die valt onder meer bloot te leggen aan de hand van de analyse van een causale ketting: SAP’s leiden tot armoede en armoede leidt tot overlevingsstrijd. Deze strijd vormt op zijn beurt een aanleiding voor de manipulering van lokale tegenstellingen. Bovendien moet hierbij vermeld worden dat de socio-economische breuklijn in de meeste zogenaamde failed states steeds grotendeels samenvalt met sektarische (etnische) tegenstellingen. Vele hedendaagse tribale en etnische conflicten hebben zo hun oorsprong in deze socio-economische processen (6).

Oorlog blijkt dus niet enkel het gevolg te zijn van economische verandering, maar is tevens een manier om die verandering voort te brengen. En dan vormen “humanitaire interventies”, zoals Francine Mestrum terecht opmerkt, wel degelijk de –voorlopig – laatste stap in het neoliberale proces dat tot doel heeft ‘sterke staten’ uit te bouwen in dienst van een neoliberale economie (7). Om de “democratische” (lees: kapitalistische) zijde in het conflict ter hulp te komen, moet uiteindelijk militair worden tussengekomen (8). Dit nieuw imperialisme is een neo-koloniaal proces dat eerder als doel heeft het wereldwijd controleren van policies en resources en niet territoriale uitbreiding. En daarin vormen ‘humanitaire interventies’ het laatste instrument dat wordt bovengehaald want deze dienen niet, zoals Bricmont suggereert, om mensen(rechten) te beschermen maar om nieuwe neoliberale staten te creëren.



Referenties:

(1) Ik heb slechts het eerste deel van het interview geplaatst. De links naar de overige zeven delen kunnen hier gevonden worden: http://nl.youtube.com/watch?v=VYw8J3mpbzo
http://nl.youtube.com/watch?v=l9JpEaZ6EU8&feature=related

(2) BRICMONT, J. (2008). Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog. Berchem: EPO.

(3) PARENTI, M. (2008). Democratie voor de elite. Berchem: EPO.

(4) SOTIRIS, S. S. R. P. (2008). American Foreign Policy as Modern Imperialism: From Armed Humanitarianism to Preemptive War. Science & Society, 72 (2), 208-235

(5) FEDERICI, S. (2000). War, Globalisation and Reproduction. Peace & Change, 25 (2), 153-161

(6) Hier wil ik even reageren op David's post over Congo. Daarin stelt hij dat zowel de "grondstoffen-analyse" als de "etnische analyse" relevant zijn. Dat is tot op zekere hoogte juist. Het is vooral belangrijker om steeds voor ogen te houden dat het vooral socio-economische tegenstellingen zijn die leiden tot een uitbuiting van etnische conflicten. Er bestaat dus een zeker causaal verband tussen de twee dat vooral in het Rwandese drama duidelijk optrad.

(7) MESTRUM, F. (2008). Falende staten, humanitaire interventies en ontwikkeling. Uitpers, 95 (9)

(8) Federici geeft hier het voorbeeld van Mozambique. Uiteraard zijn er zoveel andere staten die men kan aanhalen ter illustratie.

Clinton = Clinton ?

Het vinden van een entertainmentvideo over humanitair interventionisme is zo goed als onbegonnen werk. Een ‘zwaar’ onderwerp, zoals dat van deze blog, is namelijk niet om te lachen. In mijn zoektocht naar een boeiend interview of nieuwsbericht stootte ik op een zeer recente videopost van een nieuwsflash van de Amerikaanse zender RTTV (1). In dit nieuwsbericht rapporteert RTTV over de toenemende vrees in de Amerikaanse diplomatische kringen over het beleid van voormalig ‘first lady’ Hillary Clinton die vanaf 20 januari 2009 het ambt van Amerikaans Minister van Buitenlandse Zaken voor haar rekening zal nemen.



Zij heeft namelijk de afgelopen week een aantal ‘special envoys’ benoemd die ook onder het presidentschap van haar man Bill Clinton aanwezig waren in het Witte Huis. Door deze benoemingen ontstond in de Amerikaanse media en diplomatieke wereld de indruk dat Mevrouw Clinton de macht van haar departement (opnieuw) wil uitbreiden én de Obama-administratie in de richting van een overzees militair interventionisme wil duwen, een beleidsvorm die reeds enkele jaren bekend staat als de Clintondoctrine. Tijdens het Bush-junior tijdperk waren het aantal speciale gezanten zeer beperkt, maar nu blijkt dat Hillary Clinton dit gebruik dus terug in te willen voeren. Deze diplomaten zouden vooral in het Midden-Oosten en de Balkanlanden een invloedrijke rol gaan spelen.

Een andere Amerikaanse persbron, The Chicago Tribune, schreef dat Hillary Clinton als een blok achter haar man stond in de jaren ’90 toen deze besloot om te interveniëren in Haïti, Bosnië en Kosovo (2).

Een belangrijke naam die in het nieuwsbericht van RTTV genoemd wordt, is die van Richard Holbrooke. In de toekomst zal hij waarschijnlijk de moeilijke taak krijgen van gezantschap in Afghanistan, Pakistan en mogelijk ook in Iran moeten invullen. Holbrooke was de Amerikaanse Ambassadeur in Duitsland in de jaren 1993 en 1994, Assistent-Secretaris van Europese Zaken en de Amerikaanse Ambassadeur in de VN onder de Clinton- administratie. Maar zijn aanstelling leidt vooral tot opschudding binnen diplomatieke kringen omdat hij tijdens de Balkanoorlog Clintons ‘boodschapper’ was. Hij leverde namelijk Clintons ultimatum aan de Bosnische Serviërs en later ook aan Belgrado. Een boeiend weetje hierover is dat Radovan Karadzic (de Bosnisch-Servische oud-president) beweert dat Holbrooke hem in ruil voor het ondertekenen van de Dayton Agreement, immuniteit van vervolging beloofde, een belofte die duidelijk niet nagekomen werd gezien het feit dat Karadzic recent van genocide beschuldigd werd voor het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag.

De Clintondoctrine van humanitair interventionisme die zogenaamd in teken stond van het beschermen van mensenrechten, kwam onder vuur te liggen eind jaren ’90 toen de VN-Veiligheidsraad weigerde om militaire acties tegen Belgrado goed te keuren. Ondanks het uitblijven van een VN-toestemming en het aanblijvende verzet van verschillende internationale fronten, besloot Clinton om Servië maar liefst 77 dagen te bombarderen, wat vele burgerslachtoffers eiste. De Amerikaanse interventie in Bosnië werd achteraf door een deel van de wereld gezien als een humanitaire interventie, maar de rest van de wereld zag deze tussenkomst als een schending van de mensenrechten en van de soevereiniteit van een land. Jean Bricmont ziet deze mislukking in zijn boek ‘humanitair interventionisme’ logischerwijze als een duidelijke illustratie van zijn theorie dat interventies, zeker wanneer deze uitgevoerd worden zonder toestemming van de betrokken actoren, meer kwaad doen dan goed (3).

Vanzelfsprekend komen de interventies die Bill Clinton tijdens zijn ambt ondernam en die onmiskenbaar geen groot succes waren, nu terug in het daglicht te staan. Wanneer Hillary Clinton tijdens haar ambt als Minister van Buitenlandse Zaken in de voeten gaat treden van haar man, en deze kans is in mijn ogen relatief groot, zal dit ongetwijfeld leiden tot interne en externe kritiek. Hillary Clinton maakte in haar betogen van het afgelopen jaar, maar ook in de jaren daarvoor, duidelijk dat ze prominente voorstander is van interventies in het buitenland die in het teken staan van het beschermen van de mensenrechten: ‘Human Rights are central in our objectives abroad’ en ‘the US should do more than intervene in splendid little wars in which it can prevail’ zijn uitspraken van oktober 2000 die hiervan een goed voorbeeld zijn (4). Maar voor de toekomstige ‘Secretary of State’ is het van cruciaal belang dat ze niet de fouten maakt die haar man in het verleden beging. Clinton kan vandaag gebruik maken van de ‘responsibility to protect’ (R2P), een tendens die door mijn collega’s op deze blog reeds uitgebreid besproken werd. Maar zelfs met dit principe als ruggensteun blijft het gevaar bestaan dat de legaliteit en legitimiteit van een interventie niet optimaal is, een stelling die ook Chomsky verdedigt (5). Bovendien mag niet vergeten worden dat de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om te interveniëren onder het mom van R2P niet te onderschatten zijn. Zo had de interventie van Bill Clinton in Bosnië naar mijn mening niet voldaan aan deze criteria, maar dit is zonder meer voer voor verdere discussie.

Ik zou dan ook graag deze post afsluiten met een vraagstelling (die in sterke mate aansluit bij onderstaande post van Barbara en in beperkte mate bij andere artikels op deze blog) en mijn mening desbetreffend, die de discussie van nog meer voer zal voorzien, want is dit niet het uiteindelijke opzet van deze taak?

Zal Hillary Clinton tijdens haar mandaat als Minister van Buitenlandse Zaken in Birma interveniëren onder het mom van R2P? Ik denk het niet, want de Amerikaanse economische en andere belangen in Birma zijn niet van die mate dat de VS bereid zal zijn om financiële en militaire middelen in te zetten, losstaande van de ernst van de dreiging van het heersende conflict.



Referenties
(1) RTTV (2008), Hillary hints at Foreign Interference; Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.youtube.com/watch?v=5A2_W5bxYOs
(2) Chapman, S. (2008), Flock of Hawks. Chicago Tribunal, Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.chicagotribune.com/news/chi-chapman-flock-of-hawks,0,7341354.column
(3) Bricmont, J. (2005), Impérialisme Humanitaire, Brussel: Aden Editions.
(4) On the issue (2004), Hillary Clinton Forein Policy. Geraadpleegd op 27 december 2008 op http://www.ontheissues.org/Cabinet/Hillary_Clinton_Foreign_Policy.htm
(5) Chomsky,N. (2008), Humanitarian Imperialism . Montly Review.

Monday, 29 December 2008

Economisch Imperialisme?

De eindejaarsperiode zou normaal een periode moeten zijn van vrede, vriendschap, verbroedering en stabiliteit, maar zodra we de televisie aanschakelen of de krant openslaan worden we geconfronteerd met een waaier aan gewapende conflicten en instabiliteit: de gaza-strook staat weer maar eens figuurlijk in brand, de instabiliteit in Congo is verre van opgelost enzovoort.

In de voorgaande artikels bespraken we de theoretische onderbouw en het nut (of het onnut) van humanitaire interventies en de gevaren die hiermee gepaard gaan.
In het kader van het spanningsveld van deze interventies met het concept ‘imperialisme’ is het interessant om ons eens meer concreet op een bepaalde casus toe te spitsen.

Als we de geopolitieke situatie vandaag bekijken valt het niet te ontkennen dat er één staat is die wat interventies betreft op de voorgrond treedt: de Verenigde Staten.
Het regime van president George W. Bush loopt op zijn einde, en hij zal opgevolgd worden door de eerste afro-amerikaanse president van de USA: Barack Obama.

Naar aanleiding van het aflopen van de tweede ambtstermijn zijn er verschillende interviews verschenen met prominente leden van de Bush-administratie.

Op 15 december werd Vice-president Dick Cheney geïnterviewd door de Amerikaanse zender ABC.

De journalist stelde hem de vraag of hij het eens is met Karl Rove die zegt dat indien de informatie (in verband met de massavernietigingswapens) juist was geweest ze Irak niet hadden binnengevallen.
Het antwoord van Cheney hierop was: “I disagree with that. (...) What they found was that Saddam still had the capability to produce WMD’s. (...) They also found that he had every intention of resuming production once the international sanctions were lifted. He had a long reputation and record of having started two wars. Of having brutalized and killed hundreds of thousands of people, some of them with weapons of mass destruction in his own country. He had violated 16 National Security Counsil resolutions. (...) This was a bad actor and the country’s better off, the world’s better off with Saddam gone and I think we made the right decision (...).”

Zoals algemeen geweten besliste de Bush-administratie in 2003 om Irak binnen te vallen. Er was namelijk informatie die het bewijs leverde dat Saddam Hussein beschikte over massavernietigingswapens. De president en zijn entourage besliste dan ook dat een invasie gerechtvaardigd was om deze gevaarlijke tiran onschadelijk te maken en de wereld aldus te behoeden voor gevaar. Dat er geen VN-resolutie was voor een gewapende interventie deed blijkbaar niet ter zake, en de USA trok –samen met een beperkte ‘Coalition of the willing’- Irak binnen. De militaire kant van de zaak was een futuliteit, en in een mum van tijd stortte het hele saddam-kaartenhuisje machteloos in elkaar.

Al vrij snel werd duidelijk dat de massavernietigingswapens helemaal niet aanwezig waren en dat de officiele reden van de invasie dus onbestaande was. De chaos die deze invasie veroorzaakte is alom bekend en niet relevant voor onze discussie rond Humanitaire interventies en Imperialisme.

Met Irak was de USA niet aan zijn proefstuk toe. Door de geschiedenis heen voerde het al verschillende gewapende interventies uit. De concrete aanleiding verschilde vaak, maar meestal werden humanitaire voorwendselen of redenen van internationale ‘veiligheid’ aangehaald. De verwijzing van Cheney naar de shurk Saddam en hoeveel beter de wereld toch af is zonder hem, past in deze humanitaire vergoelijking. Humanitaire interventies kunnen in bepaalde situaties nuttig of zelfs nodig zijn, maar de echte drijfveer van de Verenigde Staten in casu kan zeker in vraag gesteld worden.

Het is opvallend te zien hoe dubbelzijdig de houding van de verenigde staten is in verband met authoritaire regimes die de mensenrechten schenden. Het Saddam-regime moest koste wat kost vallen, maar andere repressieve regimes die ook een loopje nemen met de mensenrechten worden getolereerd of zelfs gesteund door Washington.

Of er nu sprake is van imperialisme, is een andere vraag. Het woord ‘imperialisme’ roept bij de meesten onder ons beelden op van het Romeinse Rijk of Alexander de Grote, die –overtuigd als ze waren dat hun legitimiteit rechtstreeks van God kwam- het nodig vonden om de Pax Romana of een andere vorm van beschaving te gaar opleggen aan de ‘wilden’ en ‘ongeciviliseerden’.

De bijna ex-president George W. past in zekere zin in dit profiel. Hij verwijst steevast naar god in zijn toespraken, nam letterlijk het woord ‘crusade’ in de mond en is ook wel een fan van het verspreiden van de democratie in de ‘onbeschaafde’ landen.

Maar de werkelijkheid gebied ons te zeggen dat de politiek van interventies ook al voor Bush Jr bezig was.

In de Verenigde Staten (net zoals in de meeste republieken) is het quasi onmogelijk om president te worden zonder voldoende belangengroepen achter je te scharen. Een president kan een grote invloed hebben op het beleid, maar moet sowieso rekening houden met zijn achterban.
De USA is een zeer liberale staat, gesteund op de vrije markt en het ongebreideld kapitalisme. Als we de verschillende interventies bekijken, kunnen we merken dat het in vele gevallen gaat om landen die beschikken over een uitgebreide voorraad natuurlijke grondstoffen, en die over het algemeen de vrije markt (deels) aan banden legen door het nationaliseren van grote bedrijven of door de afscherming van de locale markt.
We kunnen merken dat de interventies vaak als gevolg hadden (en hebben) dat een regime wordt geïnstalleerd dat overtuigd is van de vrije markt, en de Amerikaanse multinationals zonder (al te veel) beperkingen toelaat op de markt. (Ook de Koude Oorlog en de strijd tegen het communisme past in deze logica).

De vraag is dus waar de echte drijfveer ligt van deze politiek van gewapende interventies. De Verenigde staten verschuilen zich vaak achter het mensenrechtelijk discours of proberen duidelijk te maken dat ze de wereld toch wederom veiliger gemaakt hebben, maar de economische belangen die er steeds spelen (zowel bij de invasie als tegenwoordig ook bij de reconstructie) kunnen niet ontkend worden.

Men zou dus kunnen stellen dat de een groot deel van de interventies van de Verenigde Staten gecategoriseerd kunnen worden onder de noemer ‘economisch imperialisme’.

De verkiezing van senator Obama tot president van de Verenigde Staten kan op veel vlakken toegejuicht worden, en hij verdient ook een kans om de hoop die velen in hem stellen te bevestigen, maar de vraag is of hij bij machte is om een drastische koerswijziging te verwezenlijken in een staat (en wereld) waar grote economische concerns vaak meer macht en invloed hebben dan staten en internationale organisaties.

Nu eens met dan weer tegen de Taliban: de grillen van de VS in Afghanistan.

De stelling die Bricmont poneert - mensenrechten als excuus voor oorlog – pas ik toe op Afghanistan. Hierbij maak ik gebruik van een filmpje waarin Tony Benn (voormalig Brits links politicus en voorstander van de vrede) de oorlog in Afghanistan beschrijft als een imperialistische oorlog, waarbij de inzet oliebelangen zijn en niet de mensenrechten en de democratie. Als tegengewicht voor deze theorie is er uiteraard de officiële verantwoording van de VS en gebruik ik enkele argumenten uit een artikel van Seth Stevenson, getiteld: “Pipe Dreams. The origin of the 'bombing-Afghanistan-for-oil-pipelines' theory.”






Vrouwenrechtenorganisaties en sommige, voornamelijk Europese linkse media, stelden al jaren de benarde situatie van vrouwen onder het Taliban-regime in Afghanistan aan de kaak. De interesse van de VS is echter - niet toevallig - pas gegroeid na de gebeurtenissen op 9/11. De Taliban zou omver geworpen worden, als deel van ‘The War on Terror’. Gretig werden toen in de media vrouwen in burka tentoongespreid om de publieke opinie ervan te overtuigen dat er actie nodig was. De bevrijding van de vrouw in Afghanistan werd, om het met Bricmonts woorden te zeggen, ‘het excuus voor oorlog’. Want achter deze façade spelen immers economische en strategische belangen.

Dat het mensenrechtendiscours van de VS ongeloofwaardig overkomt, valt af te leiden uit het VS verleden in Afghanistan. Zowel Bricmont als Benn brengen dat verleden terug in herinnering: eind jaren ’70 en jaren ’80 was Afghanistan het strijdtoneel van de Koude Oorlog tussen de VS en de SU. Daarbij steunde, financierde, trainde en bewapende de VS de ‘mujahideen’, de zogezegde ‘vrijheidsstrijders’ die vochten tegen de bezetting van de SU. Later vielen deze uiteen in de elkaar bevechtende Taliban en Noordelijke Alliantie. Zoals geweten is Osama Bin Laden hiervan een product. Bricmonts bewering dat absolute macht in je eigen gezicht ontploft, wordt met dit voorbeeld gestaafd. Toen de SU zich terugtrok en de Taliban aan de macht kwam, verslechterde de situatie van de vrouw zienderogen (ze werden verboden te werken en naar school te gaan, ze werden verplicht een burka te dragen,..) De VS zat erbij en keek ernaar. Het is twijfelachtig dat de VS nu een situatie zou rechtzetten die ze lange tijd geleden zelf bewerkstelligd heeft en waarbij ze toen geen moeite deed om die te ontmantelen.

Benn stelt zich de vraag ‘why didn’t the US invade Afghanistan before 9/11?’ Met andere woorden, waarom waren toen de mensenrechten niet belangrijk en daarna wel? Pas na 9/11, als aanloop naar de oorlog, verhoogde de media-aandacht voor de Afghaanse vrouw. Het spreekt voor zich dat diezelfde media het VS verleden in deze hele zaak moeiteloos doodzwegen. Destijds steunde de VS de Taliban zelfs (ondanks de vrouwenrechtenschendingen), met als doel een contract te verkrijgen voor een oliepijpleiding die door Afghanistan zou lopen en waardoor de VS toegang zou krijgen tot de olie van Centraal-Azië en de Kaspische Zee. De beweegredenen moeten dus elders gezocht worden. Toen hadden economische belangen de overhand op mensenrechten en het zou vreemd zijn dat vandaag de dag de kaarten helemaal anders zouden liggen.

Hoewel Seth Stevenson in zijn artikel ‘oorlog voor olie’ afdoet als een samenzweringstheorie, moet ook hij toegeven dat er feiten zijn waar je niet omheen kunt. Zelf noemt hij het feit dat de Amerikaanse oliemaatschappij Unocal een pijpleiding wilde aanleggen door Afghanistan en dat er inderdaad geflirt is met de Taliban. Bovendien hebben zowel Bush als Cheney grote oliebelangen. Hij is echter van mening dat deze feiten niet automatisch leiden tot de conclusie dat de oorlog voor olie wordt gevoerd. Er zijn echter nog enkele andere feiten. Zo werd Hamid Karzai geïnstalleerd als president van Afghanistan, een voormalige consultant voor Unocal (toevallig de Amerikaanse oliemaatschappij die een van de hoofdrolspelers was bij de poging om de pijpleiding te installeren?). Het is ook een feit dat de VS nu een militaire basis heeft in een regio waar het vroeger geen voet aan de grond had.

Het moet toegegeven dat er opnieuw meer vrijheden zijn voor de Afghaanse vrouw, maar anderzijds wil dat niet zeggen dat ze nu over alle basisrechten beschikken. De bevrijding van de vrouw vormt geen prioriteit voor het VS leger. In het artikel van Stabile en Kumar wordt uit een rapport het volgende geciteerd: ‘The military campaign is meant to make restoring woman’s rights a priority when a new government emerges after the war’2. Daar is achteraf niet al te veel van gebleken. Het is duidelijk en logisch dat de positie van de vrouw en bij uitbreiding de positie van alle inwoners van Afghanistan met een oorlogssituatie niet verbetert. De humanitaire crisis in Afghanistan neemt toe. Je kan je afvragen of het land en haar inwoners er beter aan toe zijn dan voor de oorlog.

Meer en meer stemmen - niet alleen in het Zuiden, maar ook in het Westen - gaan op dat de situatie uit de hand loopt en onhoudbaar is. De mogelijkheid wordt geopperd om te onderhandelen en samen te werken met de Taliban, het regime dat moest omver geworpen worden in the first place. Als je Stevensons theorie volgt, dat de oorlog in Afghanistan een rechtstreeks gevolg is van de aanvallen op de VS die opgeëist werden door terroristen met hoofdkwartier in Afghanistan, hoe valt deze wending dan te verklaren? In ieder geval houdt het mensenrechtendiscours geen stand. Het was enkel en alleen een glijmiddel om de oorlog in Afghanistan te doen slikken.
_____________________________________________
1&2: verwijzingen naar:
- Carol A. Stabile (University of Winsconsin-Milwaukee, USA) and Deepa Kumar (Ruthers University, USA), ‘Unveiling imperialism: media, gender and the war on Afghanistan’, Sage Journals Online, http://mcs.sagepub.com/cgi/content/abstract/27/5/765 (geraadpleegd op 26/12/2008)

Bronnen:
- Tony Benn, 'An educated view of the wars in Afghanistan and Iraq by Tony Benn', Youtube, http://nl.youtube.com/watch?v=Ra7EZo0LAzY (geraadpleegd op 28/12/2008)

- Seth Stevenson, ''Pipe Dreams. The origin of the 'bombing-Afghanistan-for-oil-pipelines' theory", Slate Magazine, http://www.slate.com/?id=2059487 (geraadpleegd op 28/12/2208)

-Jean Bricmont, 'Humanitaire interventies, mensenrechten als excuus voor oorlog', EPO Berchem, 2008.

- Carol A. Stabile (University of Winsconsin-Milwaukee, USA) and Deepa Kumar (Ruthers University, USA), ‘Unveiling imperialism: media, gender and the war on Afghanistan’, Sage Journals Online, http://mcs.sagepub.com/cgi/content/abstract/27/5/765 (geraadpleegd op 26/12/2008)

- Imke van den Akker, 'Is samenwerken met de Taliban de oplossing?', MO Magazine, 7 oktober 2008.

Saturday, 27 December 2008

Vredehandhaving in DR-Congo: Neo-Imperiale ondertoon?

Sinds zijn oprichting eind 1999 is de VN operatie in de Democratische Republiek Congo, bekend onder zijn Franstalige afkorting MONUC, uitgegroeid tot de grootste in zijn soort. Na de 2de Congolese oorlog – met acht betrokken landen ook wel de Afrikaanse wereldoorlog genoemd - besloot de internationale gemeenschap het ‘hart van Afrika’ te stabiliseren, democratiseren en pacificeren. Of de doelstellingen van dit grootschalige state-building project werden verwezenlijkt staat hier niet centraal. Ook zal in deze korte uiteenzetting niet ingegaan worden op de historische wortels, de politieke gebeurtenissen, het ‘etnische’ element van het conflict; deze duizelingwekkende complexiteit wordt grotendeels achterwege gelaten. Wat mij hier interesseert is waar de Congolese VN vredesmissie, geïnterpreteerd als een langgerokken humanitaire interventie, gepositioneerd kan worden op het spanningsveld tussen ‘het humanitaire’ en ‘het eigenbelang’ van de ingreep.

Twee tegenovergestelde visies bieden zich aan. Enerzijds de MONUC als puur humanitaire missie zoals vastgelegd in de doelstellingen en statuten. Anderzijds de MONUC als een ‘marktstabiliserende factor’, met als doel de buitenlandse zakenbelangen, de grondstoffenexport, te bestendigen. De eerste stelling spreekt voor zich, het is vooral deze laatste interpretatie van peacekeeping als uitwaaier van westerse wereldhegemonie, die hier besproken wordt. Zijn de 17.000 blauwhelmen op een humanitiare of een neokoloniale missie?

Het wereldwijd economisch belang van Congo als leverancier van goud, uranium, tin, kobalt en andere kostbare grondstoffen is onmiskenbaar. Het lopende en vorige conflicten in het land worden door westerse waarnemers teruggebracht tot ofwel langlopende etnische twisten, of grondstoffenoorlogen. Aanhangers van de ‘grondstoffen-analyse’ beschuldigen aanhangers van de ‘etnische-analyse’ ervan de actieve rol van buitenlandse, zie westerse, bedrijven en landen te verbergen. Zonder diep in te gaan op de conflictanalyse, moet gezegd worden dat beidde factoren meespelen en elkaar niet uitsluiten. Het is de meest ‘radicale’ versie van de Congolese instabiliteit als gevolg van ‘immorele’ buitenlandse zakeninteresses die ik hier kort behandel, omdat deze de basis vormt voor de deconstructie van het westers humanitair project in het land.

De explosieve stijging in de vraag naar kasseriet en kobalt, ertsen verwerkt in GSM’s, draadloze apparatuur en computerchips, wordt steeds vaker naar voren geschoven als de bron van het nieuwe geweld in Oost-Congo.



zie ook: http://www.youtube.com/watch?v=O1FQmUQ1-mM

Nu al wordt gesproken van ‘blood cell phones’ en de ‘Cell Phone wars’(1). De multinationale geldschieters van de gewapende strijd worden buiten het pacificeringsproces gehouden. Op die manier doet de internationale gemeenschap zijn humanitaire rol in feite teniet, en neemt een zeer ambigue houding aan. Deze vaststelling sluit aan bij verdere ‘Bricmontiaanse’/ ‘Chomskiaanse’ redeneringen, waarin een soort westers georchestreerde, geweldinducerende, grondstoffenroof centraal staat. Vanuit dit perspectief maken de humanitaire inspanningen in Congo deel uit van het imperiaal/neoliberaal project, met westerse handelsbelangen als belangrijkste drijfveer. Door zijn zwakke staatsstructuur en afhankelijkheid van hulp is het land bovendien een makkelijk doelwit geweest van externe inmenging. Traditioneel zijn er drie landen met gevestigde interesses in het land; België, Frankrijk en de VSA. Deze troika heeft het politieke leven van het land bepaalt sinds de onafhankelijkheid. De MONUC troepenmacht is de meest recente en tastbare manifestatie van deze machtsrelatie.

Volgens deze denkwijze is er geen verschil tussen de commerciële belangen van de internationale bedrijven in Congo, de nationale belangen van de verscheidene donorlanden, en de plannen die in de Veiligheidsraad tot stand komen. Deze laatste dient dan om een ‘humanitair’ élan te geven aan het neokoloniaal project. Als we doorheen deze dekmantel kijken zien we de MONUC in zijn echte gedaante; een machtsinstrument met als hoofddoel de fysieke bescherming van enkel buitenlands personeel en materiaal, en het verzekeren dat te veel geweld niet de grondstoffenexport doet stilvallen. Het beperkte mandaat is het bewijs dat het hier niet gaat om de bescherming van een noodlijdende burgerbevolking, maar dat de troepenmacht een soort vangnet is om gewelduitbarstingen tegen westerse doelwitten te voorkomen. Erger nog, de blauwhelmen waren betrokken in wapenhandel en prostitutieschandalen, maar genieten een zekere straffeloosheid. Ze gedragen zich, met andere woorden, als “thuggish enforcers for imperial powers”.(2)

Hoe geloofwaardig is bovenstaande interpretatie van UN peacekeeping als dekmantel voor neokoloniale beleidspraktijken? Zijn blauwhelmen de stoottroepen van een nieuwe imperiale wereldorde? Verscheidene aspecten kloppen; er zijn buitenlandse economische interesses die meespelen, de soevereiniteit van een Afrikaanse land wordt zelden gerespecteerd, de blauwhelmen zijn inefficiënt in het beschermen van de burgerbevolking en hun pacificerende rol is twijfelachtig... Maar is de MONUC, ondanks de enorme problemen en schandalen in de praktijk, een non-humanitaire missie? Was de internationale wil om Congo te stabiliseren een kwestie van Impérialisme Humanitaire?

Zelfs de meest doorwinterde scepticus zal moeten toegeven dat er een relatief apolitieke ‘humanitarian goodwill’ bestond vanuit de internationale gemeenschap in het opzetten en financieren van de mastodont missie in DR Congo. Dit wil niet zeggen dat er geen commerciële en geostrategische belangen op het spel staan, of dat men er daadwerkelijk is in geslaagd een democratische staat van Congo te maken. Zoals eerder gesteld gaat het hier niet om de verwezenlijkingen of fouten van de VN-missie, maar op de manier hoe die op verschillende manieren geframed kan worden. In bovenstaande uiteenzetting werd de imperiale logica van VN vredehandhaving gradueel uitvergroot om aan te tonen hoe ook in dit soort discours de realiteitszin soms verwaterd. Het inzicht dat er meer achter humanitair beleid schuilt dan te lezen valt in officiële verklaringen is waardevol, maar ook hierin moet men genuanceerd zijn. Er is steeds een kruisbestuiving van nationale belangen en humanitaire intenties nodig vooraleer iets ondernomen wordt vanuit de VN. Botweg stellen dat de hebzucht van een westers militair-industrieel complex aan de fundering ligt van de MONUC, en elk ander VN initiatief, is weinig overtuigend.

Een 'bewijs' van de humanitaire aard van de missie kan gezien worden in het nieuwe mandaat dat vandaag werd goedgekeurd door de Veiligheidsraad (3). Blauwhelmen zullen nu ook kunnen optreden tegen het regeringsleger en regeringsgezinde milities, om zo een actievere rol te spelen in de bescherming van de bevolking. Tegelijkertijd blijft de westerse inspanning dubbelzinnig, een importverbod op ertsen uit conflictgebieden zou inderdaad grotere gevolgen hebben dan meer vredestroepen sturen.

referenties:
1. Robin Browne ‘Blood cell phones’ worsen crisis in the Congo’ Alternatives, 19 Juli 2008 (http://www.alternatives.ca/article3968.html geraadpleegd 22/12/2008)
2. Stephen Lendman ‘UN Peacekeeping Paramilitarism: The Rules of Imperial Management’ Counterpunch, 15 februari 2007 (http://www.counterpunch.org/lendman02152007.html, geraadpleegd op 23/12/2008)
3. BBC news ‘New Mandate for DR Congo UN Force’ (http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/7796430.stm geraadpleegd op 23/12/2008)